collecties

Door Frank Eerhart

Verzamelen als tweede natuur

foto: Loes en Hugo Kerkhof

Frank Eerhart in gesprek met Loes en Hugo Kerkhof

Nederlands- Indië
Hugo en Loes Kerkhof zijn in de jaren 30 geboren in Indonesië, toen nog Nederlands- Indië geheten, Hugo in Malang en Loes in Batavia. De aanvankelijk zorgeloze jeugd in de tropen, waar hun beide ouders in het onderwijs werkten, veranderde ingrijpend toen het land in 1942 bezet werd door Japan. Enkele maanden later, Hugo was 9 jaar, Loes 5 jaar, werden ze met hun moeders in het Jappenkamp Tjideng geïnterneerd. In 1944 werd Hugo omdat hij 11 geworden was, overgeplaatst naar het mannenkamp Tjimahi.

Nadat de Japanners in 1945 capituleerden, kon Hugo een jaar later met zijn ouders naar Nederland, Loes vertrok in 1947. Beide families vestigden zich in Den Haag. Het was in alle opzichten aanpassen, vooral ook, omdat ze door de oorlogsjaren hun schooltijd gemist hadden. Hugo ging als 13 jarige naar de eerste klas van het Christelijk Lyceum in Den Haag, de school waar Loes ook op terecht zou komen. Hugo had moeite met de spelling en grammaticale kennis van het Nederlands. Dat leverde bespotting op als hij weer tientallen fouten had in zijn dictee. Toen er gelachen werd om zijn spelling van het woord “dysenterie” kwamen de kampherinneringen boven: “ Ik weet duidelijk niet hoe je dysenterie moet spellen, zei hij, “maar ik denk dat ik de enige ben die uit eigen ervaring weet wat dysenterie is”. Dat maakte indruk, ook bij zijn leraar en daarmee was het pesten afgelopen. Hugo slaagde er door hard werken en de nodige bijlessen in om zijn HBS B diploma te halen. In het laatste schooljaar konden de leerlingen zich bij de diverse opleidingen oriënteren op een vervolgstudie, onder andere bij de Koninklijke Militaire Academie in Breda en Hugo besloot voor die opleiding te kiezen. Voor een schoolfeest, Hugo zat in de vijfde klas HBS-B, werden er meisjes uitgenodigd en zo werd Loes via een vriendin aan Hugo voorgesteld.
Het ouderlijk huis van Loes in Nederlands- Indië
Nadat Loes de 3-jarige HBS had afgerond, besloot ze de secretaresse opleiding bij Schoevers te volgen. Nadat ze daarvoor geslaagd was, kreeg ze een baan als secretaresse op het Hoofdbureau van Politie in Den Haag. Hugo had intussen de KMA opleiding afgerond en kon aan zijn militaire loopbaan beginnen. In 1957 trouwden ze en gingen in Grave bij Nijmegen wonen. Loes moest, zoals alle getrouwde vrouwen in die tijd, haar baan opgeven en huisvrouw worden.

Het was ook de tijd waarin de standsverschillen, beter gezegd de verschillen in rang in het leger, de contacten bepaalden.

Hugo was officier en daardoor konden ze in de woonwijk niet vriendschappelijk omgaan met onderofficieren, ook niet met hun vrouwen. Dat bezorgde Loes een geïsoleerd gevoel. Het zat niet in haar karakter om een dergelijk onderscheid te maken. In 1962 vestigden ze zich met inmiddels twee dochters, geboren in 1959 en 1961, in Weert, hetgeen te maken had met Hugo’s militaire loopbaan. Hij was vaak van huis, terwijl Loes de zorg had voor de kinderen. Toch lukte het haar als ze op school zaten om de trein te nemen en regelmatig musea te bezoeken in Maastricht en in Den Bosch. Ze was al vanaf haar jeugd in kunst geïnteresseerd en ging toen ze nog in Den Haag woonde regelmatig naar het Haags Gemeentemuseum. Ze bezocht in haar tienerjaren met oom George die scheepsarts was, het Spiegelkwartier en het Rijksmuseum in Amsterdam. George woonde in Zuid Afrika, maar kwam regelmatig naar Nederland om kunst en antiek te kopen. Van hem leerde Loes wat er bijzonder was aan de diverse kunstwerken en objecten die er in het museum en in de antiekwinkels te zien waren en met kijken en luisteren wist ze haar gevoel voor kwaliteit te ontwikkelen. In Weert raakten Loes en Hugo bevriend met de familie Ruhaak die een grote antiekverzameling bezat, waarin zich vooral veel Spaanse antieke voorwerpen en beelden bevonden. Die collectie en de gesprekken daarover waren voor Loes de aanleiding om zich meer in kunst te verdiepen en ze besloot daarom van 1976 tot 1978 een schriftelijke cursus kunstgeschiedenis bij het Nederlands Talen Instituut in Rotterdam te volgen.
Toen het gezin naar Brabant verhuisd was, deed de mogelijkheid zich voor dat Loes de door haar opgedane kennis van de kunstgeschiedenis kon benutten. Ze bood aan om als vrijwilligster te werken bij Galerie Lambert in Valkenswaard en enkele jaren later was ze welkom bij Galerie Bonnard in Nuenen die in 1984 haar deuren opende en in haar aanbod het accent legt op figuratieve kunst.

Galerie Willy Schoots

Loes en Hugo bezochten met regelmaat galeries voor moderne kunst, waaronder Galerie Willy Schoots, gevestigd in de Willemstraat in Eindhoven, die in de jaren 60 begonnen was met binnenhuisarchitectuur. In de eerste jaren had de tentoongestelde kunst een ondersteunende functie bij de interieurpresentaties, maar in de loop der jaren kwam het accent volledig op kunst te liggen en werd het een galerie waar kunstenaars als Kees Verkade, Ru van Rossum en Nico Molenkamp exposeerden. Toen de eigenaar in 1980 plotseling overleed besloten zijn vrouw en zijn zoon Roland Janssen de zaak voort te zetten. Roland vergrootte het aanzien van de galerie door op den duur ook internationale kunstenaars als Bram Bogart, Robert Combas en Daniel Spoerri te brengen.

Na zijn pensionering als kolonel in 1989 kreeg Hugo tijd om zich net als Loes meer te verdiepen in de kunstwereld. Hij bood daarom aan om bij Galerie Willy Schoots in Eindhoven te assisteren bij het inrichten van de tentoonstellingen in de galerie en op de beurzen zoals de KunstRai, de PAN, Art Rotterdam en Art Cologne. Daardoor kwam hij in de ateliers van de exposerende kunstenaars om de werken voor de tentoonstellingen op te halen en terug te bezorgen.

Nadat de kinderen het ouderlijk huis hadden verlaten en hun studies hadden voltooid, werd het voor Hugo en Loes budgettair gemakkelijker om zelf kunst te gaan verzamelen. Het aankopen van kunstwerken is eigenlijk altijd nogal impulsief gegaan, zo zeggen ze. Ze zijn nooit gericht op zoek geweest naar kunstwerken of objecten uit een specifieke periode in de kunstgeschiedenis. Ook niet naar werken van een bepaalde kunstenaar, waarin ze zich verdiept hadden. Hun verzameling die inmiddels bestaat uit vele objecten, beelden en schilderijen ontstond, doordat de werken eenvoudig gezegd op hun pad kwamen, omdat ze hun aanspraken, vooral een kwestie van gevoel dus. Daardoor is het een eclectische verzameling geworden van tientallen verschillende objecten uit verschillende kunsthistorische perioden en uiteenlopende culturen, van antieke werken en etnografica tot beelden en schilderijen van hedendaagse kunstenaars.

Zo bevindt er zich in hun collectie een antiek Midden-Javaans stenen tempelbeeld uit de 9e eeuw dat de godin Durga voorstelt, dat ze hebben gekocht bij kunsthandel Polak in Amsterdam.

“het aankopen van kunst is eigenlijk impulsief gegaan”

Tempelbeeld van de godin Durga, lava trachiet, H 72,5 cm
Durga is de hindoe-moedergodin. Haar naam betekent: de ontoegankelijke. Ze is de belichaming van de woede van de goden, onoverwinnelijk in haar strijd tegen de mannelijke demonen die de wereldorde bedreigen. Durga is autonoom, maagd en “zij die haarzelf toebehoort”. Enkele jaren later kochten ze op de TEFAF bij Polak ook een prachtig Batak object, een zogenaamde buli-buli, een container van bewerkte buffelhoorn, waarin de Datu, de Batak priester, zijn geneeskrachtige substantie bewaarde.

Boven de kist waarop de buffelhoorn staat, valt me een werk op van de hedendaagse kunstenaar Bram Bogart dat ze op de kunst- en antiekbeurs PAN Amsterdam gekocht blijken te hebben. Het is een abstract werk, nogal afwijkend van de overwegend figuratieve voorstellingen in hun collectie.
Ik vraag hen wat de aanleiding is, of de afweging om een dergelijk werk aan te schaffen. Hugo en Loes vertellen, na enig nadenken, bijna alsof de vraag hen overvalt, dat de persoonlijke kennismaking met de kunstenaar daarbij een belangrijke rol speelt. Niet alleen het werk moet hen aanspreken, de voorstelling, al dan niet abstract, de kleur, soms is ook is de ontmoeting met de maker van het kunstwerk bepalend voor het aanschaffen van het werk. Die gelegendheid doet zich voor op de opening van zijn tentoonstelling.
Zo is het werk op papier A secret of a monkey van Mark Brusse gekocht bij galerie Willy Schoots in Eindhoven op de opening van zijn tentoonstelling. Zijn toelichting op het werk en zijn persoonlijkheid brachten Hugo en Loes ertoe om tot de aanschaf van het werk over te gaan.
Links: Buli, buli, buffelhoorn, H 25 cm.
Rechtsboven: Bram Bogart, Rouge-Noir 1998, gips en lijm, 30 x 33 cm.
Rechtsonder: Mark Brusse, A secret of a monkey 2004, 72 x 101 cm

Galerie De Ruimte

In de jaren 80 bezochten Loes en Hugo regelmatig Galerie De Ruimte in Eersel waar kunstenaar Jean Nies in de jaren 70 was begonnen met het tonen van werk van Brabantse kunstenaars: Johan Claassen, Theo Kuijpers, Johan Lennarts en Hans van Hoek. Jean Nies was schilder en had in de jaren 50 met enkele collega kunstenaars waaronder Johan Lennarts kunstcentrum “de Vrije Expressieven” opgericht(”) In 1966 vestigde hij zich in Eersel, waar hij na enkele jaren zijn galerie De Ruimte opende. Vanaf 1975 specialiseerde hij zich in Aziatische kunst, vooral in boeddhabeelden uit Birma en Cambodja. Hij maakte er samen met zijn zoon Marcel vele tentoonstellingen. In 1994 opende Marcel Nies onder zijn eigen naam zijn galerie voor Aziatische kunst in Antwerpen. Hij was al vroeg een van de deelnemers aan de Tefaf en heeft mede daardoor in internationale klantenkring opgebouwd.

Hugo en Loes kochten bij Galerie De Ruimte een negentiende-eeuwse Mandalay Boeddha Sakyamuni uit Birma. Een Mandalay boeddha heeft meestal een jeugdige, vriendelijke uitstraling. Het met bladgoud bedekte beeld draagt een lang koninklijke gewaad, uttarasanga, fraai geplooid en aan de randen gedecoreerd.
Boeddha Sakyamuni, Birma, hout, bladgoud, H 105 cm.

De verzamelaar Ten Houten

Jean Nies was door de erven van Fred ten Houten, die in 1995 was overleden, gevraagd om de nagelaten etnograficacollectie te verkopen, waarvan de opbrengst ten goede kwam aan projecten voor weeskinderen in Sri Lanka. Ten Houten was internationaal handelsreiziger geweest, onder andere exportmanager voor Nutricia. Tijdens zijn reizen in Afrika en Azië was hij voortdurend op

zoek naar etnografica. Na zijn pensionering had hij zijn collectie in bruikleen gegeven aan het Volkenkundig museum Gerardus van der Leeuw in Groningen. De collectie Ten Houten omvatte circa 1200 kunstvoorwerpen, voornamelijk afkomstig uit West-Afrika, Borneo, Luzon en Taiwan. Met enige regelmaat verkocht Ten Houten ook bij leven werken uit zijn collectie, onder andere aan Marcel Nies die er weer verzamelaars voor vond. Reden om uit zijn bruikleencollectie te verkopen was dat Ten Houten vond dat veel van zijn objecten in het depot van het museum Gerardus van der Leeuw ongezien bleven. Het was om die reden dat na zijn dood de collectie te gelde werd gemaakt en dat de opbrengst ervan een goede bestemming kreeg. Jean Nies stelde met de hulp van verzamelaar/ handelaar Hans van Witteloostuyn uit Delft de catalogus samen voor de tentoonstelling in Galerie De Ruimte. Er bleek veel belangstelling te zijn voor deze collectie. Hugo en Loes kochten diverse beeldjes waaronder een fraai Senufo-beeldje, dat in de catalogus van Galerie de Ruimte is afgebeeld.
Senufo-beeldje,
Tugubele, Ivoorkust
H 26 cm.
De Senufo gemeenschap leeft in Ivoorkust, tot over de grenzen van Mali en Burkina Faso. Een dergelijk beeldje werd gebruikt door de Sandogo waarzeggers. Ze werden geraadpleegd bij problemen. De waarzegger plaatste het beeldje, tugubele, voor zich, strooide orakelmateriaal uit en kwam vervolgens tot een uitspraak, waardoor de vrager wist wat hem te doen stond.
Loes en Hugo kozen er ook een Ibeji paar uit, tweelingbeeldjes van de Yoruba die dergelijke beeldjes lieten maken als herinnering aan hun overleden kind of tweeling en ook om zich tegen verder onheil te beschermen.

Ook bij Gies Pluim kochten ze een Yoruba Ibeji beeldje. Pluim was in de jaren 50 in Zweden general manager van Drukkerij Smeets uit Weert.

Hij was daarnaast kunstverzamelaar vanwege zijn contacten met diverse kunstenaars in Stockholm. In 1965 vestigde hij zich als uitgever in Wageningen en in de jaren 90 werd hij de uitgever van Art in Limited Editions. Pluim handelde zowel in hedendaagse kunst als in etnografica.

In de collectie bevindt zich een Luluwa-beeldje uit de Ten Houten collectie dat Hugo en Loes eveneens kochten in Galerie De Ruimte.

De Luluwa wonen in de Kasai provincie in Congo. Opvallend bij deze beeldjes zijn het puntvormige kapsel en de uitstekende navel. De beeldjes werden gemaakt voor de bescherming van pasgeboren kinderen en gedragen onder de lendendoek van de moeder.
Yoruba Ibeji, Nigeria H 29 cm.
Yoruba, Nigeria, tweeling paar, H 30 en 28 cm.
Luluwa, Congo H 15,5 cm.

Etnografische kunst

De interesse in Afrikaanse kunst was begonnen met bezoeken aan het Afrikacentrum in Cadier en Keer en aan het Afrikamuseum in Berg en Dal. In het laatstgenoemde museum bezochten ze in 2002 de opening van de tentoonstelling Vormen van Verwondering. Ze ontmoetten er leden van de Vereniging Vrienden Etnografica en besloten lid te worden. De VVE organiseerde regelmatig bijeenkomsten en huisbezoeken, waardoor ze hun interesse in Afrikaanse kunst met anderen konden delen.

Ze ontmoetten in de VVE Arnold Wentholt die hen op hun eigen verzoek regelmatig adviseerde en van wie ze in de loop der jaren ook enkele beelden kochten, onder andere een zittende vrouwelijke Baule-figuur uit Ivoorkust.

De Baule-beelden werden op het huisaltaar of in het eigen vertrek bewaard en zeer goed verzorgd. De vrouwelijke beelden stellen volgens Baule- kenner Susan Vogel, de echtgenote uit de andere wereld voor die o.a. hulp moeten bieden bij ziekten en kwalen van de mannelijke eigenaar.
Hugo en Loes schaften recent een zogenaamde Iphri aan van de Urhobo of naburige Isoko- gemeenschap in Nigeria, een krachtbeeld uit de voormalige collectie van Martien Coppens, een Brabantse beroepsfotograaf die delen van zijn collectie pubIiceerde in zijn boek: Negro Sculpture, a photographic approach.
Een Iphri dient om de gemoedstoestand van man te kanaliseren. De hoed duidt op leiderschap. Een Iphri staat op vier poten. Onder het hoofd bevindt zich een dier dat met vier enorme tanden een agressieve kracht uitstraalt. Een Iphri werd op het persoonlijke altaar bewaard.

Hoewel Loes en Hugo inmiddels een behoorlijk aantal beelden uit Afrika verzameld hebben, blijft hun voorkeur uitgaan naar beelden en voorwerpen uit Azië. Dat heeft te maken met hun band met Nederlands-Indië, waarvan de jeugdindrukken en jeugdherinneringen blijvend zijn. In hun collectie bevindt zich bijvoorbeeld een 19e-eeuws voorouderbeeld uit Oost -Timor.
De klompvoeten duiden erop dat het beeld in een plank heeft gestaan. In de rechthoekige oogkassen heeft vermoedelijk keramiek gezeten. Boven de ogen zijn harsresten te zien, waarin plantenresten zijn achtergebleven die vermoedelijk de wenkbrauwen moesten verbeelden.
Eveneens uit Indonesië komt een vroeg 20e eeuwse ceremoniële hak, een landbouwwerktuig van de Kenyah-Kayan Dayak, een volk dat leeft in Centraal-Borneo. De handgreep stelt een Aso-kop voor met daarboven een prachtig uitgesneden antropomorf gelaat.
Hugo en Loes bezoeken jaarlijks de etnograficabeurzen in Brussel en Parijs. Op de Tribal Art Fair in De Duif aan de Prinsengracht in Amsterdam, kochten ze bij Karavanserai uit Maastricht een Nepalese ghurra, een houten karnstokhouder die gebruikt wordt bij het karnen van melk om boter te verkrijgen. Het verticale deel symboliseert de lingam, het mannelijk geslachtsorgaan, de ronde opening vertegenwoordigt de zonneschijf, de chakra. De chakra verwijst zowel naar Vishnu, god van overvloed, schoonheid en geluk als naar de yoni, het vrouwelijk geslachtsorgaan, symbool van de oorsprong der schepping. Uit deze twee-eenheid ontstaat elke levensvorm.
De versiering ondersteunt tijdens het karnen de meditatie. Zo is de knoop die op het bovenste deel van de ghurra te zien is het symbool van oneindigheid: we keren altijd terug naar waar we begonnen zijn.

Moderne kunst

De knoop is ook een veelvoorkomend symbool in het werk van Shinkichi Tajiri. In 1993 maakten Loes en Hugo kennis met de kunstenaar Tajiri (1923-2009). Ze bewonderden zijn werk en raakten met hem in gesprek op de opening van de tentoonstelling Tajiri, A Retrospective exhibition in Museum van Bommel van Dam. Hij nodigde hen uit om hem bij gelegenheid in zijn kasteel in Baarlo te bezoeken, waar hij zijn atelier had. Loes en Hugo maakten graag van de uitnodiging
gebruik en kochten een fraai stalen beeld dat een platte knoop verbeeldt. De knoop staat bij Tajiri voor verbondenheid, omarming, harmonie, maar evengoed voor een probleem, voor iets dat ontward moet worden.

de knoop is een belangrijk symbool in het werk van Tajiri

Tajiri, platte knoop 1994, cortenstaal
H 56 cm
Loes en Hugo kochten vaker werk van Tajiri o.a. een groot bronzen beeld: Adam 2, dat de mannelijke potentie verbeeldt, een thema dat ook in de grote Wachters en Krijgers van Tajiri aanwezig is, die in diverse plaatsen in Nederland in de openbare ruimte te zien zijn.
Tajiri, Adam 2 1964, brons H 75 cm.
In Zuid Frankrijk bezochten ze in 1997 in Saint Paul de Vence Galerie Guy Pieters waar ze een beeld van Arman aanschaften: een bronzen sculptuur dat een verbrand boek voorstelt.
Arman, Le Livre, 1988 brons, 27 x 10 x 22 cm. gesigneerd en genummerd 7/100
Arman behoort tot de Nieuwe Realisten. Hij is vooral bekend om zijn stapelingen. Dit verbrande boek valt onder zijn zogenaamde “coleres’ en “combustions” die kunnen worden opgevat als een veroordeling van de consumptiemaatschappij.
Het thema verbranding en verwoesting trof hen ook in het werk van Armando die ze bij Galerie Willy Schoots persoonlijk hadden leren kennen. Hugo sprak hem meerdere keren, omdat hij regelmatig werk van hem vervoerde voor zijn exposities. Het waren fascinerende ontmoetingen die tot gevolg hadden dat ze meerdere werken van Armando in hun collectie hebben.
In het werk Damals zien we het vuur, het rood en het zwart, dat naar de Tweede Wereldoorlog verwijst, een kenmerkend en terugkerend thema in het werk van Armando, zowel in zijn beelden, tekeningen als proza. Ook bij het schilderij Die Leiter is dat het geval.

De ladder belichaamt voor Armando het reikhalzen naar wat hoger is dan het menselijke. “De ladder als troost, als vluchtweg. Via de ladder vertrokken de wensen en verlangens van de gevangenen en er kwamen ongetwijfeld gedachten en wensen van elders terug. Het is de ladder van het kamp.”, aldus Armando.

De kunstcollectie van Loes en Hugo is zeer divers, opgebouwd vanuit hun affiniteit met de kunsten en vaak tot stand
gekomen door toeval.

Mensen zeggen soms, dat toeval datgene is, wat je toevalt en misschien is dat wat veel verzamelaars overkomt. Ze worden getroffen door wat ze zien. Een beeld, een object of een schilderij kan zoveel indruk maken dat je het dagelijks om je heen wilt hebben. Je besluit vervolgens om het te kopen. Een eigen kunstverzameling daagt je uit, houdt je nieuwsgierig en voorkomt dat het leven voorspelbaar wordt.

Literatuur

Van Witteloostuyn, Hans, Nelemans-Ten Houten, Hanneke (z.j.), Afrika, De Ten Houten Collectie van Afrikaanse kunst. Eersel:

Galerie De Ruimte.
Tajiri, Shinkichi (1993), Autobiografische aantekeningen, Woorden en Beelden, Kempen Publishers.

Gercken, Günther (1989), Armando, The Berlin Years. The Hague: SDU Publishers.

Dit is een premium artikel exclusief voor abonnees

Al abonnee? Log in en krijg direct toegang tot alle premium artikelen!

Vergelijkbare artikelen

collecties

Verwantschap en verbinding.

Paul Raedts en Ted Raedts-Thomassen vertellen wat verzamelen van kunst en cultuur voor hen betekent.

17 February 2024

collecties

Cornelis Pieter Meulendijk:‘uitsluitend die voorwerpen verzamelen die esthetischekwaliteiten hebben’

Meulendijk behoort met een paar anderen tot een selecte groep Nederlandse verzamelaars van tribale kunst...

3 October 2023

collecties

Wijzer worden van elkaar

Frank Eerhart in gesprek met Jos Weerts, voorzitter van de Vereniging Vrienden Etnografica

23 November 2022