collecties

Door Arnold Wentholt

Cornelis Pieter Meulendijk:‘uitsluitend die voorwerpen verzamelen die esthetischekwaliteiten hebben’

Meulendijk behoort met een paar anderen tot een selecte groep Nederlandse verzamelaars van tribale kunst die een veiling bij een groot internationaal veilinghuis op naam krijgt. In 1980 komt bij Christie’s Londen zijn verzameling onder de hamer. Wie is Cornelis Pieter Meulendijk en belangrijker, hoe komt hij aan zijn collectie die in zijn tijd als één van de belangrijkste in Nederland geldt?

Geboren en getogen in het centrum van Rotterdam komt de jonge Meulendijk (1912-1979) in de dierentuin Blijdorp, op loopafstand gelegen van het ouderlijk huis aan het Hofplein, in aanraking met etnografica. Die eerste kennismaking met exotisch materiaal ligt aan de basis van zijn levenslange passie, het verzamelen van voorwerpen. Niet dát was voor de jongen
de eerste aanleiding om daar naar toe te gaan, maar uiteraard de dieren. Zelf zegt hij hierover: ‘In de sociëteit van de oude diergaarde was een klein museum ondergebracht met vele opgezette dieren, waar ik ook geregeld ging kijken. Nu had dat museum een kleine
volkenkundige verzameling, voor een deel bijeengebracht door een vroegere directeur, de heer Büttikofer, die o.a. het binnenland van Liberia bezocht had. Zeer geïmponeerd was ik steeds door een groot dubbelmasker uit Loango, dat thans gelukkig tot het bezit van het Museum voor Land- en Volkenkunde te Rotterdam behoort.’

Dit is een premium artikel exclusief voor abonnees

Al abonnee? Log in en krijg direct toegang tot alle premium artikelen!

In zijn tienerjaren maakt hij ook verschillende reisjes naar Brussel, waar hij het Koninklijk Museum van Midden Afrika bezoekt en waar hij, in de gelegenheid gesteld door geld van zijn ouders, boeken koopt en wat etnografica, voornamelijk wapens. Het wonen in het centrum heeft in mei 1940 desastreuze gevolgen wanneer het centrum vrijwel geheel door bombardementen wordt weggevaagd en de vooroorlogse verzameling met deze oorlogshandeling verloren gaat. Nog tijdens de oorlogsjaren begint Meulendijk opnieuw te verzamelen, voornamelijk etnografische boeken en voor zover mogelijk voorwerpen. In 1942 trouwt hij met Sarah Maria Offers (1904-?). Het echtpaar gaat wonen in Hillegersberg, ten noorden van Rotterdam. Na de oorlog begint het echte verzamelen van voornamelijk sculptuur want hij ‘ontmoette enkele andere collectioneurs en zag dat die zich veelal uitsluitend op het verzamelen van sculptuur toelegden.’

Voor een gepassioneerd verzamelaar van kunst van niet-westerse volken heeft hij een heel nuchter beroep waarbij voornamelijk cijfers bepalend zijn: accountant. Na de oorlog bouwt hij zijn zaak uit tot een zelfstandig accountantskantoor, dat goede zaken doet in de wederopbouw. Daarnaast belegt hij zijn geld in vastgoed. De huur wordt opgehaald door een weduwe die hij aanstelt om zelf van deze taak verlost te zijn. Waar het geld voor de belegging vandaan komt, is niet helemaal duidelijk. Vermoedelijk heeft hij als enig kind geld geërfd van zijn ouders die een florerende fietsenwinkel annex fietsschool beheren en daarmee tot de gegoede middenklasse gerekend kunnen worden. In de jaren 1950 tot en met 1970 breidt de verzameling zich gestaag uit. Zoals in het museum gebruikelijk worden door hem alle voorwerpen op een stamkaart ingeschreven en krijgen ze een nummer bestaande uit één of twee letter(s) gevolgd door twee maal drie cijfers, geschreven op een rond kartonnen labeltje gevat in metaal (zie foto hiernaast)

Zo beheert Meulendijk zijn collectie. Foto’s van de objecten maakt hij zelf en een voorbeeldige handbibliotheek voorziet hem van de nodige documentatie. De boekenkasten dragen de last van de beelden die daar bovenop zijn geplaatst – een letterlijk solide basis. Dit bevindt zich allemaal op de eerste verdieping, weg van de ontvangstruimtes op de begane grond waar het zilver en een enkel Boeddhabeeld staan uitgestald, het domein van zijn vrouw die geen binding met de hobby van haar man heeft. Twee afgebakende werelden in één huis.

Tweede generatie

De particuliere verzamelcultuur van tribale kunst in de 20ste eeuw had zijn eerste fase achter de rug toen Meulendijk serieus begon te verzamelen. In feite leefde hij in een periode waarin expedities naar verre volken in verafgelegen oorden nog steeds aan de orde waren, zij het dat daar wel spoedig een einde aan kwam. Wetenschappelijke instituten dirigeerden expedities
naar de laatste enclaves in koloniale gebieden en een enkeling trok er in klein gezelschap zelf op uit om lokaal onderzoek te doen. Musea op hun beurt lieten conservatoren het veld in gaan om onderzoek te doen bij nog traditioneel levende volken. De toen nog volkenkundig geheten musea, voornamelijk in Duitsland en Oost-Europa, verkochten doubletten aan
particulieren, niet zelden ondernemende handelaars uit West-Europa, waar de vraag naar oud en authentiek erfgoed gelijke tred hield met de naoorlogse welvaart. Die naoorlogse welvaart stimuleerde een nieuw soort winkel voor exotische kunst-cum-archeologie naast Europees antiek.

De Nederlandse handel in etnografica vormde even wel een kleine niche in vergelijking met de handel die zich in Brussel, Parijs en New York ophield en die vanaf het begin leverde aan een rijkere clientèle. Meulendijk is in Nederland een bijzondere collectioneur in die zin dat hij zich kan meten met die welgestelden, hij verzamelt namelijk met vermogen en op esthetische grondslag. Zijn voorkeur ‘is altijd eerder uitgegaan naar verfijnde, dan naar brute stukken. Deze laatste komen in de verzameling wel voor, doch bij nadere beschouwing zal blijken, dat achter hun kracht een bezonkenheid ligt die geacheveerd aandoet, terwijl, wanneer men de moeite en de tijd neemt om de verfijnde stukken op zich te laten inwerken, meestal zal blijken dat achter hun verfijning een aanzienlijke kracht verborgen ligt. Zijn verzameling bereikt een kwaliteit die niet onopgemerkt blijft.

Catalogus tentoonstelling Nieuw-Guinea, kunst uit privebezit Etnografisch Museum Delft 5 juli -4 oktober 1958 en catalogus tentoonstelling Indonesie-Oceanie, Kunst uit particulier bezit Museum voor Land- en Volkenkunde Rotterdam 27 juli-3 oktober 1965

Delft en Rotterdam

Het is in de eerste drie decennia na WO2 in volkenkundige musea niet ongebruikelijk om tentoonstellingen in te richten waarbij gebruik wordt gemaakt van bruiklenen uit particuliere collecties. Daar zit een economische reden achter (de kosten blijven beperkt), maar ook een andere: de uitnodiging aan een verzamelaar, zijn of haar collectie in een museum te tonen,
geeft aan die collectie glans en dat verbindt een collectioneur aan dat museum. Waar dat op kan uitlopen zullen we hierna zien. Het Etnografisch Museum Delft is het eerste dat een beroep doet op zijn verzameling voorwerpen uit Nieuw-Guinea ; 17 objecten, voornamelijk
afkomstig uit het onder Australisch bewind staande deel, komen uit zijn verzameling.
Zeven jaar later vindt in het Museum voor Land- en Volkenkunde een tentoonstelling plaats met als titel Indonesië-Oceanië, die eveneens geheel uit particuliere bruiklenen is samengesteld. Van de 443 objecten daar getoond is circa een vijfde van Meulendijk afkomstig, alsmede de gehele afdeling Polynesië en Nieuw-Caledonië. Melanesië wordt dit keer geheel uit bezit van andere verzamelaars samengesteld; kennelijk wil het museum niet dezelfde voorwerpen laten zien als in Delft.

Eind 1967 wordt een deel van de collectie Meulendijk andermaal getoond in het Rotterdams museum, dit keer zijn collectie Afrikaanse kunst. Niet minder dan 247 voorwerpen staan opgesteld in de museumzalen. Voor de inleiding en objectomschrijving in de catalogus Afrikaanse sculpturen uit de collectie van C.P. Meulendijk wordt handig gebruikt gemaakt van zijn minutieus bijgehouden documentatie en het heeft er alle schijn van dat de verzamelaar dit niet zomaar heeft gedaan. De documentatie voorziet de aanwezige voorwerpen van achtergrondinformatie waar het museum gebruik van maakt in de catalogusbeschrijvingen.

Internationale handel – internationale erkenning

Klein van stuk rijdt Meulendijk bij voorkeur in grote auto’s maar overigens niet verder dan ’s lands grenzen. Vliegen is voor hem geen optie en bijgevolg kwam hij niet tot uiterst zelden in het buitenland. Boven, op de eerste verdieping van zijn huis, koestert de Rotterdammer
zijn bezit. Enkele foto’s die genomen zijn bij gelegenheid van de tentoonstelling van Afrikaanse kunst – waarvan er een opgenomen werd in Rotterdamsch Nieuwsblad – laten hem zien als een heer met vest te midden van zijn niet uitgeleende verzameling Oceanië. Kijken we langs de vele beelden op de boekenkast en de maskers aan de muur, dan valt een ontegenzeggelijk gevoel voor kwaliteit op: Sepik, Maori, Kanak en een zeldzaam beeld uit de Nicobaren die niet standaard in de Nederlandse handel te vinden zijn. Begin jaren 1960 ontmoet Meulendijk de jonge Loed van Bussel, een gedreven handelaar en verzamelaar die zijn negotie in Den Haag heeft. Van Bussel komt regelmatig in het buitenland en is kind aan huis in verscheidene Duitse volkenkundige musea. De taal vormt voor hem geen drempel, want zijn moeder is Duitse. Die Duitse achtergrond komt hem van pas in zijn zucht oude collecties op te sporen die gerelateerd zijn aan koloniale expedities in het Stille Zuidzeegebied. Vanwege zijn reislustigheid en de honkvastheid van Meulendijk wordt Van Bussel de ‘buitenman’.

Wanneer er in de vele buitenlandse veilingcatalogi, waar Meulendijk op is geabonneerd, voorwerpen worden aangeboden waar zijn oog op is gevallen, dan wordt er overlegd met Van Bussel die na Meulendijks fiat op weg wordt gestuurd en, zo het uitkomt, mee te bieden. In andere gevallen wordt er telefonisch geboden. Het contact tussen beiden is die van een ideale vader-zoonverhouding – ze schelen 23 jaar in leeftijd – beiden hebben de ambitie oude en authentieke stukken te bemachtigen en senior heeft het kapitaal. Van Bussel komt elke maand langs om één of meerdere van zijn nieuwe veroveringen uit binnen- of buitenland te laten zien. Zo zien we in de Christie’s Londen catalogus verscheidene malen bijvoorbeeld Julius Konietzko uit Hamburg 8 als herkomst, één keer Museum van de Missie van het Heilig Hart in Hiltrup en vier keer het Übersee Museum Bremen. Alle voorwerpen komen uit Oceanië en zijn door Van Bussel verhandeld. Dat geldt ook voor twee Afrikaanse stukken, beide van de Kongo-volken, te weten een krachtfiguur uit het Linden Museum in Stuttgart en een krachtfiguur uit de collectie van het Berlijnse Museum für Völkerkunde.

Een andere belangrijke verkoper in die tijd is Meulendijks generatiegenoot Leendert van Lier (1910- 1995), een kunstschilder die voornamelijk naam heeft gemaakt als kunsthandelaar. Hij begint in Amsterdam als zaakwaarnemer van de in de oorlog omgekomen naamgenoot Carel van Lier, maar Kunstzaal van Lier wordt geen succes, waarna hij verhuist naar Utrecht om vervolgens naar Veere te trekken. Meulendijk bezoekt hem daar wanneer hij in Zeeland vakantie viert. Van Lier komt regelmatig in Londen – evenals Parijs, in die tijd centrum voor o.a. de tribale kunsthandel maar over het geheel genomen goedkoper – om zaken te doen.

Naast Van Bussel en Van Lier, is de Belgische handelaar- verzamelaar Jef Vanderstraete (1903-1984) een frequente gast in Hillegersberg. Het zijn niet de minsten die aan Meulendijk verkopen, want ook Vanderstraete behoort tot de meest vooraanstaande handelaren van zijn generatie. Van huis uit meubelmaker begint hij relatief laat – in 1951 – met het vergaren van Afrikaanse kunst en vier jaar later richt hij al een privémuseum in – tekenend voor de voortvarendheid waarmee hij tewerk gaat. De laatste die met regelmaat over de vloer komt is Lodewijk Groenhuizen (1906-1990) die in Rotterdam begint met verzamelen van Aziatische kunst en later in Utrecht handelaar in tribale kunst wordt.
Ondanks zijn focus op kwaliteit kan Meulendijk de verleiding niet weerstaan om ook bij andere, minder bekende adressen langs te gaan. Hij ziet er erg op toe dat hij geen kat in de zak koopt. Hij is dan ook gesteld op de mening van Loed. De afgewezen stukken worden uit de verzameling gehaald.10 Van Bussel is niet de enige bij wie hij te rade gaat. Het echtpaar René en Rita Wassing, beiden werkzaam in het Museum voor Land- en Volkenkunde, worden in het voor- en najaar uitgenodigd om de aanwinsten van commentaar te voorzien. René werkt dan als conservator Oceanië na eerst wetenschappelijk medewerker Afrika te zijn geweest en Rita werkt bij de educatieve dienst. De band die er is tussen Meulendijk en het lokale volkenkundig museum gaat daarmee verder dan een zakelijke. Meulendijk en zijn half-Engelse, acht jaar oudere vrouw zijn vertegenwoordigers van een oudere generatie waar de omgangsvormen bepaald zijn door vriendelijkheid en gepaste afstandelijkheid; het bezoek is dan ook bij ‘meneer en mevrouw’. Steevast wordt er geluncht, eventueel gevolgd door een diner buitenshuis. De bezoeken aan de Meulendijks en de fraaie collectie resulteren er in 1968 ook in dat René Wassing 19 objecten uit Meulendijks collectie opneemt in een Engelstalig en voor die tijd belangrijk naslagwerk. Meulendijks statuur als connaisseur en belangrijk
verzamelaar doet het gemeentebestuur besluiten hem te benoemen tot lid van de adviescommissie van het Museum voor Land- en Volkenkunde.

Yaka-maskers van het kholuka-type fungeren in het spel wanneer de geïnitieerde jongens uit het kamp komen. Deze zeer tot de verbeelding sprekende kleurrijke maskers worden opgezet of voor het gezicht gehouden en gedragen door een burleske danser uit de gemeenschap. De boven op het masker gemonteerde figuren kunnen velerlei vormen aannemen, van mensen tot dieren en van gebruiksvoorwerpen tot onderkomens of een combinatie en hebben niet zelden een koddige connotatie. In deze configuratie probeert het kind de pijp van zijn moeder te grijpen, een voorrecht van ouderen en niet andersom. In hun felgekleurde uitbeeldingen hebben de voorstellingen wel iets carnavalesks; muziek en gezang dat betrekking heeft op de uitbeelding dragen daar ook toe bij. Het masker is bijzonder vanwege de gave staat waarin het verkeert en de aanwezigheid van raffia. H. 80 cm.

Eén van de hoogtepunten uit de collectie is zondermeer het Chokwebeeld van een hoofdman. Van dit type beeld zijn er tot nu toe ongeveer 12 geregistreerd. Het stelt een hoofdman voor, een mwanagana, heer van het land. Hij is hier traditioneel uitgebeeld als jager, die oorspronkelijk in zijn handen een wapen gedragen heeft en waarvan een restant van de draagriem nog om zijn hals aanwezig is. Naar voorbeeld van Chibinda Ilunga, de mythische Luba-prins die als grootwildjager eropuit trok en tijdens zijn omzwervingen de Lunda-prinses Lweji ontmoette en trouwde, waarna hij door zijn schoonvader de macht kreeg overgedragen. Hij is immer aan de hoofdmantooi te herkennen en niet zelden met jagersattributen uitgebeeld zoals in dit beeld naar voren komt in het (nu afwezige) wapen en een jagerstas die op zijn rug te zien is en een gordel. Bastin (1978) is van mening dat naast acht oudere beelden die zij dateert rond het midden van de 19e eeuw en die de mythische jager voorstellen, dit beeld tot een groep behoort die later in de 19e eeuw is vervaardigd, en niet de held maar een hoofdman voorstelt. Opmerkelijk zijn de voeten en handen die behalve groot slechts vier vingers en vier tenen aan elke hand en voet telt. Mogelijk is dit een verwijzing naar de bijzondere status, immers de hoofdman-koning staat als mwanagana voor het welzijn en de vruchtbaarheid van de samenleving. H.47 cm. Uit: Christie’s London catalogus, ‘The Meulendijk Collection of Tribal Art’, Part 1, 21 oktober 1980

Van de Baga-opzetmaskers die een vrouw tot aan haar middel tonen, is Meulendijks exemplaar uitzonderlijk. Lamp meent dat vergelijkbare maskers van recente datum zijn, dat wil zeggen ontstaan in de dertiger jaren van de vorige eeuw, die een vrouwelijke geest zouden voorstellen mogelijk gemodelleerd naar Europese voorstellingen. Het gelaat is dan ook doorgaans roze of rood gekleurd.* Het huidige exemplaar H. 52 cm zou niet de betreffende geest voorstellen, maar een variatie op Mamy Wata (moeder water) zijn, die in het water leeft en invloed heeft op hen die zich in of op het water begeven. Haar betoverende schoonheid – hier verbeeldt in een lange hals, volle borsten en lange tressen mensenhaar – is voor mensen de reden haar mooie kinderen af te smeken. Dit opzetmasker heeft de naam Yonbofissa en de Baga-herkomst is af te leiden uit de littekentatoeages op de wangen.

Foto Yale University Art
Gallery, 2006.51.373

De Lele zijn evenals vele van hun buurvolken
bedreven in het maken van prestigeobjecten van
hout. Daaronder vallen scepters, dissels en bekers.
Scepters en dissels zijn vergelijkbaar in uitvoering,
namelijk een vrouwenfiguur tot haar benen weergegeven met in dit geval vrij gesneden
armen die de slanke tors als een ruit omlijsten.
Een fraai stilistisch element vormt het achterwaarts geheven hoofd met twee lange afhangende vlechten en een prominente afgevlakte mond waarin het oorspronkelijke lange neerwaarts gebogen lemmet zijn bevestigingvond. Met de opgetrokken schouders lijkt het figuur zo gesneden te zijn om de functie te bekrachtigen. H. 38 cm.
Foto Yale University Art Gallery, 2006.51.14)

‘Primitieve’ kunst gelijkwaardig aan westerse kunst

In 1967, bij gelegenheid van de tentoonstelling van zijn Afrikaanse collectie in Rotterdam, schrijft hij in het voorwoord waarom hij tot het verzamelen van niet-westerse kunst is gekomen en wat hem daarin boeit: ‘De reden waarom ik mij in het bijzonder tot de kunst van Afrika, de Zuidzee, van Azië en Amerika aangetrokken voel, zelfs zo sterk dat ik de voorbeelden ervan constant om mij heen wil hebben, is allereerst het feit dat deze “primitieve” kunst gelijkwaardig is aan de westerse kunst en ten tweede, dat over de eerste zoveel minder bekend is dan over laatstgenoemde. Het is daardoor dat met betrekking tot die primitieve of etnografische kunst nog zoveel te ontdekken en te verklaren valt. Daaruit put ik een voldoening die ver uitgaat boven het alleen maar verzamelen en bezitten van voorwerpen. Steeds heb ik daarom aandacht besteed aan de documentatie, en wil er zo mogelijk ook alles van weten, omdat naar mijn gevoelens een brede informatiebasis de appreciatie van de voorwerpen kan verdiepen. Men leert ze daardoor ook beter en intensiever kennen dan
wanneer men het laat bij het alleen maar “mooi vinden.” Die documentatie in de vorm van boeken zal hem in zijn oriëntatie van te verzamelen objecten geholpen hebben, want veel objecten komen in Nederlandse collecties zelden tot nooit voor. Een ander aspect dat in dit verband niet over het hoofd gezien mag worden is het feit dat Meulendijk kan beschikken
over een ruim budget voor aankopen. Vanaf het midden van de jaren 1950 gaf hij maandelijks fl 5000,- uit aan aankopen op dit gebied. Dit is geen gemiddelde, maar een vast bedrag waar hij zich strikt aan houdt, ongeacht de kwaliteit, zeldzaamheid etc. van het aangebodene. Later in zijn leven zal hij deze grens loslaten en meer gaan uitgeven.

Meulendijk
omgeven door
boeddhistische
beelden en maskers
uit Indonesië

De verzameling

Wanneer we de gehele verzameling van Meulendijk doornemen dan valt vergelijkenderwijs op dat Afrika en Oceanië zijn voorliefde heeft. Van de in totaal om nabij 750 objecten 13 die ter veiling komen zijn 411 afkomstig uit Afrika en 203 uit Oceanië, waarbij Afrika voornamelijk met Ivoorkust, Nigeria en D.R. Congo vertegenwoordigd. Voor Oceanië gaat de voorkeur uit naar Nieuw-Guinea, in het bijzonder het Asmat-, Sepik- en Massim-gebied, Nieuw-Caledonië, Salomon Eilanden en Nieuw-Zeeland. De verzameling telt voorts 111 voorwerpen uit Indonesië en slechts 8 objecten uit Noord-Amerika en Canada, voornamelijk Tlingit en Haida. In categorische zin zijn maskers en beelden in de meerderheid met daarnaast een voorkeur voor (ceremoniële) wapens uit de Stille Zuidzee. Textiel en sieraden ontbreken.
Zoals iedere verzameling een afspiegeling vormt van de voorkeuren van de verzamelaar is zij tevens een resultaat van tijd en omstandigheden waarin ze is opgebouwd. Golfbewegingen in de appreciatie van het materieel erfgoed van volken kan een tijdelijke eclips veroorzaken ten tijde van het aanleggen van een verzameling of daarna. In het laatste geval zal dat tot uitdrukking komen en de selectie van voorwerpen en/of de waarde-indicatie. Daarnaast spelen persoonlijke voorkeuren een wezenlijke rol in de aan- of afwezigheid van bepaalde volken of culturen. Meulendijk is daar zelf ook duidelijk in want enige gebieden ontbreken, ‘een paar omdat ik daarvan geen stukken heb kunnen verwerven die ik kwalitatief bevredigend achtte, andere omdat de kunst daarvan mij, een hoge uitzondering daargelaten, in het geheel niet aanspreekt.’

De handelaren van wie hij koopt zijn, zoals gezegd, niet de eersten de beste en de verzameling als geheel draagt bijgevolg een onderscheidende signatuur. Uitzonderlijke stukken kan hij zich veroorloven en gevoed door een esthetische smaak levert dat een collectie van naam op waar een Nederlands volkenkundig museum goede sier mee zou kunnen maken. Onder een ander gesternte was dat ook gebeurd, zoals we in het vervolg zullen lezen.

We zouden zomaar voorbij kunnen gaan aan dit bijna
90 cm. hoge beeld waarvan de herkomst niet meteen in
het oog springt. Het is herkenbaar aan de littekentatoeages
rond de
navel die we bij de Tiv aantreffen die langs de Benue rivier in Oost-Nigeria wonen. Over de beelden van dit volk is het
een en ander geschreven, maar tot een eensluidende duiding is het nog niet gekomen. De doorgaans paalvormige beelden die buiten worden opgetrokken voor de woning of op het land, hebben zowel een beschermende als ook een afwerende functie.
Het hiernaast getoonde beeld heeft wellicht een andere plaats dan buitenhuis gehad. Daarvoor spreken
de fijn uitgewerkte details, de vrij realistische weergave, het patina en de kettingen samengesteld uit glaskralen en ivoor. Staand op een kruk verwijst dit vrouwenfiguur naar de prominente plaats binnen
de clan.


Uit Christie’s London catalogus ‘The Meulendijk
Collection of Tribal Art’, Part 1, 21 oktober 1980

In het Ramu-Sepik benedenrivierengebied treffen we antropomorfe figuren aan die door hun specifieke weergave van onderdelen meteen herkenbaar zijn, maar waarover we tevens vrij weinig weten. Dit grote exemplaar van bijna 60
cm. is een fraai voorbeeld. De als een ruit opgevatte figuur met dunne ledematen wordt grotendeels bepaald door het
disproportionele grote hoofd bekroond door een spitse tooi met kenmerkende conische knop en een viervoetig reptiel in reliëf op het voorhoofd. Het geheel is met rode oker ingesmeerd en heeft nog (delen van) oorspronkelijke plantaardige versieringen.

Uit de catalogus van Christie’s Amsterdam,
’Tribal Art’, 12 december 2000

Coda

In augustus 1979, terwijl hij zijn auto heeft gestart om van huis weg te rijden, wordt een hartaanval Meulendijk fataal. Hij is 67 jaar. Een collectie blijft achter waarvoor hij in gedachten en deels al op papier een bestemming heeft: er zou een stichting in het leven geroepen worden die de verzameling in langdurig bruikleen zou geven aan het Museum voor Land- en Volkenkunde. Zover komt het dus niet en de belastingdienst gooit vervolgens roet in het eten want er moeten successierechten betaald worden. Uit de liquide middelen kan dit niet worden betaald en het vastgoed kan niet worden gekapitaliseerd, dus blijft slechts één mogelijkheid over: liquidatie van de collectie. Loed van Bussel als belangrijkste vertrouwenspersoon krijgt de coördinatie van de afstoting opgedragen. Samen met Hermione Waterfield, tribal art expert bij Christie’s Londen, wordt een selectie gemaakt. De ‘beste’ stukken worden in de hoofdvestiging aan King Street aangeboden. Zo zal er toch nog een soort van naslagwerk komen van de collectie Meulendijk. Immers, in de aangehaalde tentoonstellingscatalogi is slechts een fractie van de verzamelde voorwerpen afgebeeld en die laten naast een momentopname slechts een deelcollectie zien die in de jaren daarna nog aanmerkelijk werd uitgebreid. Op de cover van de catalogus komt prominent ‘The Meulendijk
Collection of Tribal Art’ te staan en de voormalige directeur van het Rotterdams museum, J. Hurwitz, schrijft een korte biografie ter introductie. Alle voorwerpen worden voor deze catalogus gefotografeerd, doorgaans van een korte beschrijving voorzien en waar van toepassing van de herkomst naar persoon of instelling. Het ‘restant’ komt een dag later bij de vestiging in South Kensington onder de hamer.

Christie’s is zich dus terdege bewust van de kwaliteit van de collectie en dat de commerciële waarde niet slechts wordt bepaald door de aanwezigheid van verscheidene voorwerpen in museumtentoonstellingen of door opname in Wassings publicatie. De ‘Meulendijk Collection’ komt zo op één lijn met twee andere grote verzamelingen: de collecties van Josef Müller en James Hooper, van wie de collecties eveneens bij Christie’s tussen de jaren 1975 en 1980 onder de hamer komen. Worden alle verzamelgebieden geveild? Nee, de Indonesische collectie wordt door de weduwe vermaakt aan Museum Nusantara in Delft. Na de ontmanteling van dat museum is een aantal objecten voor Nederland behouden in Museum Volkenkunde, Museum Bronbeek en Museon. Het deel dat hier geen onderdak vindt, gaat naar musea in Jakarta, Kuching en Singapore.
Verscheidene Noord-Amerikaanse musea hebben objecten uit particuliere verzamelingen geschonken gekregen die oorspronkelijk in de collectie Meulendijk zaten, zoals de Yale University Art Gallery, Art Institute of Chicago, het Metropolitan Museum of Art in New
York en het Fowler Museum in Los Angeles. Hoewel in Nederland zo goed als vergeten, zingt de naam Meulendijk veertig jaar na zijn overlijden nog rond in internationale verzamelaarskringen en is zijn naam een belangrijke provenance in veilingcatalogi.

De Dayak, traditioneel onbekend met pijl en boog, schieten met gifpijltjes uit een blaaspijp op wild. Deze pijltjes worden in een bamboe koker bewaard en met behulp van een houten haak aan de heupband gegord. Bamboe koker en haak kunnen op een fraaie wijze zijn versierd, maar de functie is bepalend voor de uitvoering. Bij het afgebeelde exemplaar is van een eigenlijke haak geen sprake meer en kan deze onmogelijk aan een gordel worden bevestigd. De koker is versierd met twee horizontale paneeltjes waarin een doorlopend lijnenpatroon van spiralen tegen een gearceerd en met zwartsel ingewreven fond gestileerde mythische draak-hondenkoppen (aso) laten zien. Aan de bovenkant van de dop is een in hout gesneden bloemenhart gesneden in hoog-reliëf. De ‘haak’ is hier opgevat als een zelfstandig snijwerk en met metaaldraad bevestigd aan de koker. In de beste Kayan-traditie is ook hier een aso uitgebeeld in ranke patronen met terugkerende spiralen als detail. Dit mythische wezen ontsproten aan de geest en de rijke vegetatie van het oorspronkelijke
oerwoud, is een dankbaar object voor volleerde kunstenaars. Hier is de kop naar boven gericht met een lange bovenkaak en een korte onderkaak voortkomend uit een knopvormige verdikking die we als oog zouden kunnen opvatten. Schuin daaronder is een knoop zichtbaar die als scharnierpunt dient voor het onderlichaam. Wanneer het lichaam niet gesloten was, dan had hier de opening van de gordel gezeten. Te kwetsbaar voor gebruik heeft deze koker vermoedelijk gediend als statussymbool van een hoger geplaatste man uit de hiërarchische Kayan samenleving.
H. 35 cm.

Deze kleine voorouderfiguren worden
oorspronkelijk in een altaar, daro daro,
gestoken waartoe een pen aan de onderkant dient. Kenmerkend voor Zuid-
Nias en de zuidelijk gelegen Batu eilanden is de weergave van de afgesneden armen. Het bamboe kokertje met daarin houten staafjes, dient om de ziel van de
overlevende gelegenheid te geven in het beeld te komen en het is dit attribuut waaraan dit beeld zijn naam te danken
heeft, hazi nuwo. De kunstenaar
heeft zich vooral toegelegd op de weergave
van het gelaat, dat metgezwarte details een
sprekend voorbeeld is van een wijze van weergave die op het eiland Tello gangbaar was. H. 24 cm.

Yene noemen de eilandbewoners
van Leti, Zuidwest-Molukken, deze voorouderbeelden.Wat overblijft van
een overledene is de schaduw, het silhouet dat tijdelijk kan plaatsnemen in een speciaal voor de voorouder gesneden beeld. Dit kleine beeld is monumentaal uitgevoerd.
De figuur is in een voor dit deel van de Molukken karakteristieke houding weergegeven op een verhoging met spreidende basis. Het hoofd spreekt tot de verbeelding door de felle witte ogen die met schelpmateriaal zijn ingelegd. Onder de prominente neus is een kleine sikkelvormige mond zichtbaar. Status van de persoon is
afleesbaar aan het formaat van het beeld en de attributen. In dit geval zal het beeld een functie gehad
hebben binnen de familie en zijn de attributen een diadeem en oorhangers. H. 15 cm.

Beelden afkomstig van de Nicobaren zijn relatief zeldzaam en bijvoorbeeld in Nederlandse musea niet vertegenwoordigd. Deze beelden, die lokaal
kareau worden genoemd, hebben een afschrikfunctie en komen in mensengestalte maar ook in andere, soms hybride, vorm voor. In het
laatste geval bijvoorbeeld een viervoeter met een antropomorf hoofd. De houding en de gezichtsuitdrukking zijn bepalend voor de
effectiviteit. In dit geval zijn de met schelp ingelegde grote ogen en de uitgestoken rechterarm, waar oorspronkelijk een mes of speer in was gestoken, de meest in het oog vallende eigenschappen. Enkele beelden die aan het einde van de negentiende eeuw in Europese openbare collecties terecht zijn gekomen, zijn qua uitbeelding en haarstijl vergelijkbaar met het huidige exemplaar waaruit we mogen concluderen dat ook dit beeld uit die tijd moet stammen. H. 80 cm.

De collectie Meulendijk is sterk in Maori-kunst en in het bijzonder dekseldozen waar hij er acht van bezit. Alle zijn in de ovale vorm gesneden en uitvoerig in laagreliëf gesneden. Deze dekseldozen worden naar de vorm wakahui genoemd, ‘waka’ betekent kano en ‘hui’ is te vertalen als een ding dat kostbaar of waardevol is. Hierin worden de hoofdsieraden bewaard van een voornaam persoon zoals veren, sieraden, kammen e.d.. Wakahui worden met koorden die door de handvatten worden gestoken opgehangen aan een spar en dit verklaart dat in vele gevallen
ook de onderkant van de doos rijkelijk kan zijn versierd, zoals ook hier met antropomorfe figuren. Kunstenaars kunnen zich uitleven in de toepassing van bestaande volkseigen motieven en hebben de vrijheid die binnen bepaalde grenzen op een persoonlijke wijze uit te werken. Het getoonde exemplaar meet 51 cm. en gelet op de details is deze nog op traditionele wijze vervaardigd.

De auteur dankt Rita Wassing-Visser, oud conservator Museum Nusantara, Sophie Bremers, genaral manager Christie’s Amsterdam, Maia Nuku, conservator Oceanie van het Metropolitan Museum of Art, New York, Fred Backlar, consultant bij Bonhams voor de afdeling kunst uit Afrika en Oceanie en een anonieme bron.

Bibliografie

Bastin Marie Louise (1978) Statuettes Tshokwe dcu heros civilateur ”tshibinda ilunga” Arnouville: Arts d’Afrique Noire

Capistrano-Baker, Florina (1994), Art of Island Southeast Asia. The Fred and Rita Richman Collection in The Metropolitan Museum of Art, New York: The Metropolitan Museum of Art.

Christie’s London (1980), The Meulendijk Collection of Tribal Art, Part 1and 2, 20 and 21 October.

Christie’s Amsterdam (1986), Fine African, Oceanic and Pre-Columbian Art, 20 and 21 March.

Corbey, Raymond (2000), Tribal Art Traffic. A Chronicle of Taste, Trade and Desire in Colonial and Post-Colonial Times, Amsterdam: Royal Tropical Institute.

Delft (1958), Nieuw-Guinea: Kunst uit privé bezit, Ethnografisch-Museum Delft.

Kjellgren, Eric (2007), Oceania: Art of the Pacific Islands in the Metropolitan Museum of Art, New York: Metropolitan Museum of Art.

Köpke, Wolfgang & Bernd Schmelz (2012), House Rauru, Masterpiece of the Maori, Hamburg: Museum für Völkerkunde.

Lamp, Frederick (1996), Art of the Baga: A Drama of Cultural Reinvention, New York: Museum for African Art/ Prestel-Verlag.

Neich, Roger (2001), Carved Histories. Ngati Tarawhai Woodcarving, Auckland: Auckland University Press.

Petridis, Constantine (2008), ‘Chokwe. The Legacy of the Prince’ in idem Art and Power in the Central African Savanna, Cleveland/ Brussels: The Cleveland Museum of Art/ Mercatorfonds, 92-113.

Rochard, Patricia (2002), Figuren Afrikas, Meisterwerke einer Privatsammlung, Ingelheim am Rhein: Boehringer Ingelheim.

Ross, Doran H. (1994), Visions of Africa. The Jerome Joss Collection of African Art at UCLA, Los Angeles: University of California.

Rotterdam (1965), Indonesië-Oceanië, kunst uit particulier bezit, Tentoonstelling in het Museum voor Land- en Volkenkunde.

Rotterdam (1967), Afrikaanse sculpturen uit de collectie van C.P. Meulendijk, Museum voor Land- en Volkenkunde.

Simmons, David (1985), Whakairo, Maori Tribal Art, Ellerslie: Oxford University Press

Svoboda, W. (1893), ‘Die Bewohner des Nikobaren Archipels’ in Internationales Archiv für Ethnographie 6, 1-40.

Wassing, René (1968), African Art, New York: Harry N. Abrams.

Waterfield, Hermione and J.C.H. King (2006), Provenance, Twelve Collectors of Ethnographic Art in England 1760-1990, Geneva: Barbier/Mueller Museum.

Wentholt, Arnold (2014), Highlights from Museum Nusantara Delft, Leiden/ Delft: C. Zwartenkot Art Books/ Stichting Nusantara.

Vergelijkbare artikelen

collecties

Verwantschap en verbinding.

Paul Raedts en Ted Raedts-Thomassen vertellen wat verzamelen van kunst en cultuur voor hen betekent.

17 February 2024

collecties

Verzamelen als tweede natuur

Hugo en Loes zijn geboren in Indonesië. Na de oorlog kwamen zij naar Nederland, waar...

21 June 2023

collecties

Wijzer worden van elkaar

Frank Eerhart in gesprek met Jos Weerts, voorzitter van de Vereniging Vrienden Etnografica

23 November 2022

Advertenties

Een greep uit onze dierbare partners