Actueel

Door Tribal Art Community

Lucien van de Velde. Een mensenleven in etnografica.

21 augustus 2026

Ex. Lucien van de Velde: Katana/Mama (uitsnede). Op 6 januari 2026 geveild bij Hammer Auktionen.

Een interview, eerder gepubliceerd in VVE Jaarboek nummer 2, 2013, p. 6 – 13.

Auteurs: Frank Eerhart en Jos Weerts.

Lucien van de Velde is op 9 augustus 2026 overleden.

Lucien van de Velde, 29 januari 2014, in zijn als toonzaal ingericht appartement in Antwerken, bij een Baule beeld.
Foto: Frank Eerhart



Frank Eerhart en Jos Weerts 5praken op 29 januari 2014 met Lucien Van de Velde, sinds 1963 etnograficahandelaar en -verzamelaar in Antwerpen. Hij werd geboren op 3 november 1933 in Oudenaerde, in de Vlaamse Ardennen. Zoals ieder kind in België ging hij op schoolreis naar Tervuren, naar het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika. Daar waren de opgezette olifanten, de prauwen, de beelden en de maskers die hem direct fascineerden. Hij had een neef, Emiel Veranneman, een kunsthandelaar met goede contacten in Parijs, waaronder ook handelaren in etnografica. Het was die neef die Lucien begin jaren ’60 – toen hij ging werken in Afrika – aanspoorde om uit te kijken naar mooie maskers. Zo begon zijn handel in etnografica.

Ex Lucien van de Velde.
Dit helmmasker, omschreven als Katana, is op 6 augustus 2026 gevield bij Hammer Auktionen. Lot nr. 84, h. 44 cm.
Foto: Hammer Auktionen


Toen ik in 1950 mijn studie wiskunde had afgerond aan de Universiteit van Gent, werd ik in Antwerpen en omgeving aangesteld als leraar wiskunde. In 1963 jaar kreeg ik de mogelijkheid om voor de Unesco naar Afrika te gaan en te werken als wiskundeleraar in Abidjan, destijds de hoofdstad van Ivoorkust. Ik vertrok begin 1963, dertig jaar oud en werkte er bijna vier jaar in het onderwijs. Het was een zeer goed betaalde baan, bovendien was het leven ter plaatse erg goedkoop en ik kocht van het geld dat ik overhield Afrikaanse kunstvoorwerpen. Het eerste jaar een tiental stukken die ik meenam naar België tijdens mijn jaarlijkse verlofperiode. Het waren vooral Dan- en Baulemaskers die ik van inlandse handelaren betrok. Die handelaren hadden zelf hun contacten in de brousse. Dergelijke stukken waren toen nog ruim voorhanden. Fraaie Senufo- en Dogonstukken daarentegen waren daar in de jaren ’60 al niet meer te vinden; die waren vele jaren eerder al door Franse handelaren opgekocht.

Omdat ik enkele van mijn stukken in de verlofmaand al met winst kwijt kon, besloot ik in de jaren daarop meer stukken te verwerven. Het werden er steeds meer, uiteindelijk zo’n dertig stukken per jaar. Ik verkocht ze eenmaal terug in België aan handelaren in Amsterdam, aan kunstenaars en verzamelaars. Van de opbrengst kon ik dan weer nieuwe stukken kopen. Soms leende ik terug in Afrika geld van collega’s, omdat ik ondanks mijn prima inkomen, met mijn inkoopbehoefte toch door mijn geld heen was. Ze kregen dat dan in België weer terug. Enig onbegrip was er soms wel. Sommigen vroegen zich af waarom ik in godsnaam die angstaanjagende Guere-maskers kocht.


Oplopende prijzen


In vergelijking met nu waren de prijzen laag. Je had te maken met verschillende munten: Belgische frank, de oude en nieuwe Franse frank en de CFA, de Franc des Colonies Françaises d’Afrique. De vuistregel was dat tussen deze munteenheden steeds een factor 10 zat, de ene was tien keer zoveel waard als de andere, et cetera.


Links: het Dan masker uit de tekst (h. 43 cm.) Foto: Fotostudio Ferry Herrebrugh, Amstelveen . Rechts: de catalogus van de tentoonstelling in Zürich.



Voor een fraai Danmasker betaalde ik in die lijd, begin jaren ’60, ongeveer BF1000, ongerekend naar nu zo’n € 25. Eén keer was er een echt prachtig Danmasker waar BF1500 voor werd gevraagd. Dat vond ik te duur, er waren meerdere belangstellenden en ik vond dat de verkoper overdreef. Daarom kocht ik het niet; het werd gekocht door een collega. Later heb ik het voor het vijfvoudige alsnog gekocht in Frankrijk. Het was echt een heel fraai masker, dat wist de Afrikaanse verkoper – ik meen dat het Amadou Coulibaly was – toen ook al, vandaar zijn hogere vraagprijs.

Ook omdat het een goede herinnering is aan mijn Abidjaanse jaren maakt dit masker nog altijd deel uit van mijn privéverzameling. Ik heb het nu met vier andere stukken in bruikleen gegeven voor de grote tentoonstelling over kunst uil Ivoorkust die in het voorjaar van 2014 geopend is in het Museum Rietberg in Zürich. Die tentoonstelling reist later door naar Bonn, dan naar de Nieuwe Kerk in Amsterdam en vervolgens naar het Musée du Quai Branly in Parijs.

Je ziet de laatste jaren de prijzen enorm oplopen voor de bijzondere stukken, zeker uil Gabon, die eigenlijk nog steeds vooral in Frankrijk voor zeer hoge prijzen worden verhandeld. Fangstukken waren overigens in de jaren ‘60 niet meer in Afrika te vinden. authentieke Dogon-beelden evenmin. De handel in dergelijke stukken was in de jaren ‘40 en ‘50 uitgeput. Dus de handel moest wel uitzien naar alternatieve stukken van andere volken. De beelden van de Lobi bijvoorbeeld kwamen pas in de jaren ’80 in de openbaarheid. Daar werd voor die tijd niet naar omgekeken.

In Ivoorkust heb ik geleerd om ook met mijn handen te kijken. Je moet stukken vastpakken, draaien, voelen en van alle kanten bekijken. Ik zat daar dicht bij de bron, in de eerste lijn. De stad werd bezocht door rapporteurs, handelaren die in de brousse stukken wisten te verkrijgen, die zij vervolgens in de stad aan hun relaties aanboden. Als een oud stamhoofd stierf, kwamen wel eens stukken vrij. Natuurlijk was er ook toen al veel namaak, er was een toeristenmarkt met wat we nu ‘airport-kunst’ noemen, met een veelheid aan decoratieve maskers en beelden. In die jaren begon ook vanwege de toenemende belangstelling voor Afrikaanse kunst de serieuze kopiehandel in vervalsingen zich uit te breiden.


Liefhebber-verzamelaar


Eind 1966 stopte ik met mijn leraarsbaan in Afrika en begon in België de wereld van verzamelaars en handelaren verder te verkennen. Ik ging mij erin verdiepen door boeken te kopen, musea te bezoeken, omdat ik de achtergrond van mijn stukken wilde kennen en ze van een goede documentatie wilde voorzien. Er zijn handelaren die daar minder belang aan hechten, maar ik houd van studeren. Ik heb altijd veel contact gehad met Guy van Rijn die een prachtig documentatiecentrum heeft opgebouwd, the Archives, dat hij later heeft overgedaan aan de Yale University Art Gallery. Guy noemde overigens een stuk nooit vals, maar sprak van een ‘late production’.

Foto: Loes Jansen. © AHDRC, Brussel, België



In 1969 besloot ik officieel handelaar in etnografica te worden. Natuurlijk blijf je als liefhebber ook verzamelaar. Een goede regel is dan om in de ruimte waar je je stukken te koop aanbiedt geen stukken te tonen uit je privéverzameling. Het geeft de potentiële koper een onprettig gevoel als hij in een verkoopruimte iets ziet wat nier te koop is. Te vaak wordt er dan gedacht dat de handelaar het beste voor zichzelf houdt. Dat is bij mij niet het geval, anders zou ik niets kunnen verdienen Wal je als handelaar voor jezelf houdt, zijn soms je leerstukken, stukken die je blijven inspireren, of stukken waar bijzondere herinneringen aan verbonden zijn zoals het eerder geroemde Dan-masker. Ik heb nu nog een privéverzameling van zo’n vijftig stukken, ik koop geen nieuwe stukken meer in, hoogstens gaat er af en toe iets uit. Criteria om iets te houden? Een deel van collectie komt uit Ivoorkust, sommige stukken heb ik later voor meer geld gekocht of teruggekocht. Je hebt er toch een band mee.

Galerie


In de jaren ‘70 reisde ik twee keer per jaar naar Afrika, naar Abidjan, Lomé, Togo, niet naar Nigeria, dat was te gevaarlijk. Ik ging niet zelf de brousse in, maar ik ontmoette er de handelaren. Ze hadden het goed, ze woonden in betonnen huizen met een verdieping erop. Bij invoer moet je de spullen aangeven bij de douane en een factuur tonen. Die was globaal opgesteld, niet erg gedetailleerd. Nu is dat moeilijker, alles moet tot in detail beschreven zijn. Je kunt uiteraard nog steeds invoeren, er zijn handelaren die dat doen en hun papieren goed in orde hebben, zoals Alain Dufour.

Dan beeld uit de privé collectie.
Foto: Studio De Haan, Brussel



In de jaren ‘80 openden in Brussel steeds meer handelaren een galerie rond de Sablon. Ik heb daar zelf nooit voor gekozen. Je moet huur betalen, er vaak zelf aanwezig zijn, of anders in ieder geval een mooie dame in dienst hebben om de klanten te ontvangen. Ik besloot om een appartement als toonzaal in te richten, waar ik overigens niet woon, en geïnteresseerden op afspraak te ontvangen. Overigens kost het zonder galerie ook voor inspanning om een goede zaak op te bouwen: je moet uiteraard kennis van zaken hebben en mensen leren kennen die mogelijk van je willen kopen. Je moet je talen spreken en over voldoende geld beschikken om in te kunnen kopen en om een voorraad aan te houden. Maar het is vooral belangrijk om handelen als een spel te zien, niet als een gokspel, maar als een spel dat je verstandig speelt. Je moet voor jezelf een streng beleid voeren, dus je moet ook nee kunnen zeggen. Als je geen geld hebt, moet je niet kopen.

Kunstbeurzen



Ik ben sinds ik vorig jaar november 80 geworden ben, officieel gestopt. Ik houd geen vernissages meer, ik koop niet meer in en ik verkoop niet meer. Een enkele keer doe ik nog wel eens een stuk uit mijn eigen verzameling weg, maar dat doe ik dan als privépersoon, niet als handelaar. Ik heb een boeiend leven geleid en veel over de wereld gereisd. Het National Museum of African Art in Washington heeft stukken van mij gekocht. dat geeft voldoening. De kunstmarkt heeft het nu moeilijk. In de tribale kunst gaat het mogelijk nog wel. omdat een handelaar meestal zelf zijn stukken in bezit heeft en niet, zoals in een galerie voor moderne kunst afhankelijk is van de provisie van verkochte kunstwerken. Veel stukken worden tegenwoordig aangeboden op kunstbeurzen. Dat heb ik zelf nooit gedaan. De kosten van een stand op een belangrijke beurs bedragen tussen de 30.000 en 50.000 euro. Dat moet natuurlijk terugverdiend worden. Daarom zijn dat de plekken waar vooral rijke mensen graag willen kopen. Je weet in elk geval dat wat je op een beurs koopt, goed is. Maar je ziet soms ook dat kopers zelf niet over voldoende kennis beschikken, zich vooral door de prijs laten overtuigen. Als het duur is, moet het wel goed zijn, denkt men dan. Los van de hoge beurskosten voor de kunsthandelaar drijft ook dat gegeven de prijs op. Beginnende verzamelaars zouden er verstandig aan doen zich eerst wat te verdiepen in wat hen echt aantrekt en geleidelijk hun verzameling opbouwen met hulp van een goede handelaar. Het zit hem niet altijd in de hoge bedragen; voor enkele duizenden euro’s zijn ook nog mooie stukken te verkrijgen.


Naverkoop

Op een beurs vraag ik nooit naar de prijzen. Ik zie wat mooi is, achteraf hoor ik het wel. Onnodig prijzen vragen leidt tot een circus, waarin iedereen rondjes loopt zonder dat er iets gebeurt.
Fraaie Punu maskers en Fang beelden worden tegenwoordig soms voor honderdduizenden euro’s verkocht. Die stukken zijn overigens altijd duur geweest. De markt in Gabon is in handen van de Fransen, als sinds de tijden van Picasso en Paul Guillaume. Recent werd bij de veiling van Sotheby’s een Fang Eyema Byeri verkocht voor meer dan een miljoen. Die prijzen worden nu gehaald, omdat de veiling is veranderd. Het telefonisch en online bieden spelen daar een belangrijke rol in: het bieden vindt anoniem plaats. Je hebt geen idee meer, zelfs niet als je in een veilingzaal zit. welke kant het uit gaat. Er zijn nu een stuk of tien veilinghuizen die meerdere keren per jaar etnografica veilen en dat is veel voor een relatief kleine markt. Uit Duitsland is een veilingvirus overgewaaid: de naverkoop. Mensen bieden niet als er geen belangstelling van andere bieders is en wachten tot de veiling voorbij is, in de hoop het object voordelig te kunnen kopen. Sommigen noemen die niet verkochte stukken ‘besmet’. Ik heb zelf geen probleem met niet verkochte stukken. Als iets goed is, blijft het goed.

Voldoende aanbod


Jaren geleden liepen op zaterdagmiddag de verzamelaars rond bij de Zavel en bezochten daar de handelaren. Nu zijn er vernissage’s, de veilingen en de beurzen, waar de belangrijke aankopen plaatsvinden. De animo van het wekelijkse rondje is er een beetje uit en het is daarom moeilijk geworden voor de galeriehouders om een klantenkring van nieuwe liefhebbers op te bouwen.
Soms verandert ook de smaak van de verzamelaars. Een jaar of 20 geleden was er grote interesse in Akan- stukken, in Baule en in Ashanti, ook in goudgewichten. Die interesse is er nu minder en dat zie je dan terug in de prijzen.
Een handelaar moet er voor zorgen altijd voldoende aanbod te hebben. Vroeger had je de bronnen in Afrika. Ook nu kan dat nog, maar dan moet je een heel goed netwerk hebben. Bovendien is de keten lang: van de brousse naar de rapporteur, naar de grotere handelaar ter plaatse in Abidjan of Bujumbura, naar de inkoper in Europa en dan naar de handelaar. Pierre Dartevelle, een uitstekende Brusselse handelaar, ging tot voor kort nog regelmatig zelf naar Afrika. Maar dat komt bijna niet meer voor. De fraaie stukken komen nu onder andere van oude klanten die soms wat willen verkopen.
Je moet streng zijn op kwaliteit, vraag en aanbod veranderen. Soms hebben de stukken uil de jaren ’30 en ‘40 niet voldoende kwaliteit omdat zij laat in de cultuur tot stand zijn gekomen. Er was toen al verwarring, vervanging van oude stukken door nieuwere stukken, waardoor de stukken die bij de oude cultus hoorden werden opgeruimd of vernietigd. Er waren missionarissen die stukken verbrandden. Maar juist zo’n overgangssituatie bood ook kansen om stukken te verwerven. En soms speelde het economische motief een rol en werden mooie oude stukken geruild tegen, bijvoorbeeld, een fiets.

Keurmeester


Ouderdom is een lastig criterium. Het is geen vast gegeven dat de kwaliteit afhangt van de tijd waarin stukken tot stand zijn gekomen. Pas laat zijn de abstracte stukken uit Nigeria in de belangstelling gekomen. Deels omdat de klassieke stukken niet meer te vinden waren, deels ook omdat de smaak en de interesse van de verzamelaars veranderde.
Je moet veel stukken zien, om ervan te leren genieten, maar ook om kritisch te kunnen zijn. Daardoor ontdek je welke stukken voor jou echt waardevol zijn en welke weer weg kunnen. Je moet je eigen objecten daarom regelmatig verplaatsen, zodat je ze telkens vanuit een ander perspectief ziet. Ook is het van belang dat de partner van de verzamelaar de passie deelt of aanvoelt en mee kan gaan in zijn of haar interesse. Ik heb een Ekoj hoofd wel eens driemaal verkocht, omdat telkens de partner van de koper het te griezelig vond en het niet in huis wilde hebben.
Ik ben al een aantal jaren keurmeester voor de TEFAF. Je keurt daar in het belang van de klant, van de potentiële koper. De handelaar is verplicht alle beschikbare documentatie bij zijn stukken klaar te leggen en wij, de vier keurmeesters, bekijken gedurende twee dagen het aangebodene heel intensief. Soms moet je er een nacht over slapen en de volgende dag nog eens goed kijken Als er ook maar enigszins twijfel is, moet een stuk worden weggezet en niet worden gepresenteerd op de beurs. Afkeuren komt niet heel vaak voor, maar het gebeurt. Het is de procedure die iedere handelaar door zijn deelname aanvaardt. Dat een stuk wordt afgekeurd, is natuurlijk niet prettig voor de handelaar, maar we kijken en onderzoeken tenslotte niet voor niets. We gaan ook niet met de handelaar in discussie. Hij is ook niet bij de keuring aanwezig. Een van ons deelt hem of haar ons besluit mede, nadat de hele keuring is afgerond. Natuurlijk heb ik me wel eens vergist, ik ben ook maar een mens. Moeilijk zijn de relatief onbekende objecten, objecten die je zelden ziet, of die onhandig zijn gerestaureerd of die zeer knap zijn vervalst. Uiteindelijk stemt de commissie gezamenlijk of iets door mag of niet. Ik heb het ook meegemaakt dat naar mijn mening iets mooi was, goed was, maar dat het niet werd goedgekeurd. Als het dan gaat om het eigen domein van deskundigheid, in mijn geval de Dan. is dat pijnlijk, maar zo zijn de regels. De keuring is een buitengewoon nauwkeurig proces voor een buitengewoon precieze situatie. Het is geen wiskunde, je kunt niet het harde bewijs leveren dat iets 100% goed is.

Herkomst


De TEFAF is een strenge beurs. In Parijs is men minder streng in de procedure, een goed gesprek met de juiste persoon wil er nog wel eens ertoe leiden dat een stuk toch door de keuring komt. Ook de Bruneaf is streng. De keurmeesters zijn mensen met ervaring. Het vertrouwen datje kwaliteit koopt. is essentieel, vooral op de beurzen, waar de prijzen hoog zijn. Voor de kunsthandel zou moeten gelden dal een fout stuk altijd teruggenomen wordt en dat de klant zijn geld terugkrijgt. Het komt ook wel voor dat een handelaar zelf een stuk terughaalt. Ik heb dat wel eens gedaan. omdat bij nader onderzoek of door informatie achteraf bleek dat het stuk niet deugde.
De herkomst van een stuk wordt belangrijker, omdat met de generaties de kennis erover verdwijnt. Een provenance is niet noodzakelijk, maar het is een bijkomend voordeel als de herkomst bekend is. De omschrijving dat iets uit een oude verzameling komt, moet aangetoond kunnen worden met documenten. Een vermelding als ‘afkomstig uit de collectie Carel van Lier’ is, bijvoorbeeld, zeker belangrijk. Dan weet je dat het van voor de oorlog is. Een nota uit die tijd waarop het stuk is beschreven en zo mogelijk een foto waarop het stuk te zien is, nemen dan alle twijfels weg.
Er zijn nu meer valse stukken dan in de jaren ’40-’50. Valse stukken gaan een tijd mee en verdwijnen dan weer, omdat de handel ze eruit filtert. Valse stukken herken je vaak, omdat ze onhandig, onnauwkeurig gemaakt zijn. Maar er zijn hele slimme vervalsingen waarbij je – vanwege je twijfel – na lang nadenken en zoeken in de literatuur erachter komt dat er iets niet klopt. Zo heb ik een keer een Luba stoeltje in handen gehad, dat op het eerste oog perfect was, maar waarbij aan de zijkant een kopje zat, dat me deed twijfelen. Het oogde ‘Europees’, laat, niet zuiver. Hel had een mondje dat glimlachte, en dat wekte argwaan. Het stoeltje was ontegenzeggelijk oud. Toen zag ik dat de nek van dit kopje op de plaats waar het op het stoeltje was gemonteerd, perfect rond was en dat kan niet in Afrika. In dit geval bleek waar het vaak op neerkomt: de eerste aanblik geeft je een signaal, en dat moet je verder onderzoeken. Het kopje was nieuw, vakkundig vervalst en er later ingemonteerd om het Luba stoeltje waardevoller te maken.
Als handelaar stel je jezelf bij het inkopen twee vragen, ‘Kan ik het verkopen?’ ‘Kan ik er winst op maken?’ Als ik iets voor een lage prijs kan inkopen. verkoop ik het ook weer voor een gunstige prijs Daardoor heeft ook de klant voordeel. Ook de vraag in de markt speeit een rol: een Bakongo bdeld is nu eenmaal duurder dan een Ibedjl, ook al zijn ze alle twee van uitstekende kwaliteit. Als handelaar moetje een zekere handelingsvrijheid hebben. Je moet daarom niet spelen met geleend geld om een duur stuk te kunnen inkopen. Dat gaat in tegen mijn principes. Je moet natuurlijk wel over een zekere marge kunnen beschikken qua tijd en geld. Je hoeft een stuk niet onmiddellijk te verkopen, maar als hel te lang onverkocht blijft, moet je het maar verkopen zonder winst. of desnoods met verlies. Een jaar is al lang en langer dan twee jaar moet je een stuk niet bij je houden.
Ook verzamelaars moeten vooral veel kijken en kritisch blijven. De smaak moet zich ontwikkelen en is voortdurend in beweging.
In het begin van mijn loopbaan was er minder begrip voor abstracte objecten. Een Mumuye bijvoorbeeld werd gezien als een object met niet-harmonische vormen Daar wordt nu anders over gedacht. mogelijk ook door de toegenomen interesse voor de Lobi. Smaakverandering heeft invloed op de markt en dat betekent voor een handelaar dat hij mee moet bewegen, omdat hij er voor zijn verkoop van afhankelijk is. Het mag echter nooit ten koste gaan van de kwaliteit. Bij twijfel moet je niet kopen. Ik heb in de afgelopen 50 jaar veel gekocht en verkocht, dat was mijn beste scholing. Nu ik mijn zaak heb stopgezet, ga ik vaker in mijn boeken kijken. Je raakt immers nooit uitgeleerd.