Tijdens de PAA-meeting, afgelopen juni in het Wereldmuseum in Leiden waren er veel lezingen over traditionele onderzoeken naar het ontstaan van verzamelingen: Wie was de verzamelaar? Wanneer, waar en wat verzameld? En in welke collectie zijn de voorwerpen terecht gekomen?
De vragen van de nazaten van de makers van de museumobjecten worden luider en krijgen ook steeds meer prioriteit. Kwesties zoals morele eigendom en repatriëring zijn sinds begin deze eeuw zeer actueel in de museumwereld. Er waren dan ook veel presentaties met voorstellen over hoe verzamelingen in Europa te verbinden met de culturen en volkeren waar ze vandaan komen.
Een lezing van Robert J. Forster, die enigszins afweek van deze onderwerpen ging over het vaststellen van de herkomst van een voorwerp: provenance. Hij onderzoekt bij de herkomst van museale voorwerpen ook historische en maatschappelijke ontwikkelingen in de plaats van herkomst èn de plek waar het is terechtgekomen. Hij doet verslag van de reis van een houten voorouderbeeld van de Wambangu, uit het Sepikgebied in Papua West Guinea(PNG).

In 2023 ontdekte Forster dat een groot voorouderbeeld van een gerenommeerde houtsnijder uit PNG via een veilinghuis werd aangeboden. Hij kocht het houtsnijwerk van ruim 2,5 meter voor 325 dollar en kreeg het via een vriendin die werkt in het Buffalo Museum of Science voor elkaar dat het daar in een grote hal kon staan.
Toen hij het beeld ophaalde, vertelde de veilingmeester dat dit voor de tweede keer in handen kwam van een museum. Het was in de jaren 80 via dezelfde veiling aangeboden door het Baltimore Museum of Art. Het werk was in de in de jaren 60 geschonken door Morton David May, een Amerikaanse filantroop en kunstverzamelaar die in de jaren 50 “primitieve” voorwerpen uit PNG introduceerde als universele beeldende kunst. May was toen directeur van de May Department Stores Company. Deze warenhuisketen organiseerde in 1963 en 1964 verkoopexposities van oude en nieuwe “authentieke” kunstvoorwerpen uit PNG, bestemd voor de Amerikaanse middenklasse. Nadat de meeste kunst was verkocht moesten de magazijnen weer leeg en werden de overgebleven voorwerpen weggegeven aan Amerikaanse musea. In die tijd werden er veel musea opgericht dus van het gratis aanbod werd dankbaar gebruik gemaakt.
Wambangu, ancestral figure (mannelijke en vrouwelijke kant), c. 1960, hout, h. 266 cm., Buffalo Museum of Science, C32501. Foto: KC Kratt/Buffalo Museum of Science
De kern van de lezing: Als je echt wil weten waar iets vandaan komt, kijk dan verder dan de namen die op een formulier staan. De vermelding van een museum in de lijst van herkomst betekent niet automatisch dat je te maken hebt met een uniek of authentiek kunstwerk. Interessante vraag is vervolgens of deze massale exposities ook in Europa plaatsvonden.
Bron:
Via deze link kom je bij het verslag van het onderzoek van Robert J. Forster



