‘Tijd voor Papoea’, zo heet de tentoonstelling in Wereldmuseum Leiden waar bezoekers een selectie kunnen bewonderen van de circa 50.000 voorwerpen uit voormalig Nederlands Nieuw Guinea. Op 11 oktober kregen de deelnemers aan de door TAC georganiseerde rondleiding hiervoor alle tijd.


Conservator Wonu Veys nam de circa twintig deelnemers mee in een fantastische en zeer uitgebreide rondleiding langs vitrines met de meest uiteenlopende voorwerpen. Ik was erbij en genoot van de kennis en kunde van deze vrouw.
Dat begon al meteen met haar antwoord op de vraag of het museum voorwerpen teruggaf aan de gemeenschappen waaruit deze afkomstig waren. Teruggave is een complexe zaak, die veel onrust in de desbetreffende gemeenschappen veroorzaakt, vertelde Veys. Wie is verantwoordelijk voor het beheer, wat is nog het belang (en kracht) van deze voorwerpen voor de huidige gemeenschappen? En als het voorwerp ooit als cadeau is gegeven, welke boodschap geef je dan mee als je het teruggeeft?

Veel van de standaardbeeldvorming over Papoea’s werd door Veys onderuitgehaald of genuanceerd. Prachtig houtgesneden voorstevens van zeewaardige prauwen bleken voorbeelden van al eeuwenlang bestaande overzeese handelscontacten.
Hoezo leefden de Papoea’s in het stenen tijdperk? Al eeuwenlang deden ze aan metaalbewerking, ook al werd er geen erts gedolven, maar via handel verkregen metaal gebruikt.
Primitieve landbouwers? Zeker niet! Landbouw is op verschillende de plekken op de wereld ontstaan, waaronder op Nieuw Guinea. Onder andere suikerriet werd hier voor het eerst gedomesticeerd.


Het geloof in voorouders was (en is) van groot belang en werd zichtbaar in de vele grote en kleine houtgesneden voorwerpen die Veys besprak. Maar zij vond het woord ‘verering’ niet passen. Het contact met voorouders is een gelijkwaardige uitwisseling, benadrukte zij: zorg voor de levende familieleden in ruil voor geschenken. Functioneert deze relatie niet, dan is het exit voorouder.

De dominantie van mannen werd in de koloniale tijd uitvergroot door de Westerse blik van bestuur en kerk, vertelde Veys. Ja, mannenhuizen waren (en zijn) belangrijk, maar er waren ook vrouwenhuizen. Uitgebreide initiatierituelen maakten van jongens mannen, maar ook van meisjes vrouwen.
En vooruit, ook maar weer aandacht voor koppensnellen. Dat gebruik had niets te maken met bloeddorstigheid, legde Veys uit, maar vloeide voort uit een wereldbeschouwing waarbij de levenskracht van de gemeenschap in balans moet zijn. De dood zorgde voor disbalans en moest gecompenseerd worden met levenskracht van iemand anders. Aangezien levenskracht zich in het hoofd bevindt, betekende dit doden en onthoofden van iemand buiten de eigen gemeenschap. Maar dit zorgde natuurlijk voor een tegenreactie.

Ook is er in de tentoonstelling aandacht voor de hedendaagse Papoea’s. Die hebben het niet gemakkelijk. Sinds 1962 is Indonesië er de baas en is er sprake van een ware ‘omvolking’. Voornamelijk uit Java afkomstige migranten maken nu 55% van de bevolking uit. Het behoud van de eigen culturele identiteit van de overwegend christelijke Papoea’s wordt ondersteund door de katholieke en protestantse kerken. Zij stimuleren tradities en de bijbehorende ambachten, maar ook hedendaagse kunstuitingen. Mooie voorbeelden zijn daarvan te zien in de tentoonstelling.



