Actueel

Door Martin Lagrain

Over ivoor

4 mei 2026

Lega hoofd (detail)

Over ivoor

Er is regelmatig discussie over de authenticiteit en de ouderdom van ivoren voorwerpen. Zo wordt meestal gezegd dat oud ivoor glanzend bruin-oranje (honing patina) hoort te zijn. Maar is dat wel zo? In veel publicaties en op veilingen verschijnen witte en zelfs bijna zwarte ivoren sculpturen. Zijn die dan vals? Het beoordelen van de patina en het uitzicht van ivoor blijkt een aartsmoeilijk onderwerp te zijn en slecht zeer weinig verzamelaars durven er zich over uitspreken.
Wij doen een poging om een en ander op te helderen.


Een gegeerd materiaal
Ivoor is afkomstig van de tanden van de olifant, het nijlpaard en het wrattenzwijn, en van de hoorn van de neushoorn. Ivoor genoot altijd al een hoog aanzien. Het was moeilijk te verkrijgen (een gevaarlijke jacht!) en daarom duur. Er werden allerlei eigenschappen aan toe geschreven zoals kracht en potentie. Het werd dan ook veel gebruikt voor het maken van prestigeobjecten en cult-voorwerpen. Die waren dikwijls exclusief bestemd voor leidende figuren en voor de leden van geheime genootschappen die het leven in de maatschappij controleerden.

Voor westerlingen had ivoor tevens een hoge handelswaarde en ook zij waren van oudsher gretige afnemers. Denk maar aan de Sapi-Portugese ivoren zoutvaten die reeds in de middeleeuwen op bestelling en als geschenken voor belangrijke personen werden gemaakt.
Of aan ivoren biljartballen, pianotoetsen, boekversieringen of schaakstukken.
Snijders verkiezen over het algemeen om vers ivoor te gebruiken. Ivoor wordt namelijk harder met de jaren, is dan moeilijker te bewerken en er komen gemakkelijker splinters af waardoor het stuk zo goed als waardeloos wordt.

Foto 1. Gebedenboek van mijn overgrootmoeder uit 1841 met ivoren (?) inleg in de kaft, en rozenkrans uit 1976 in ‘vers’ ivoor. Uit welk materiaal de kaft precies is gemaakt is niet bekend. Resine/epoxy bestond toen nog niet. Het zogenaamde ‘Franse ivoor’ werd gemaakt uit celluloid en vertoont een parallel strepenpatroon dat hier niet aanwezig is.

Op dwarsdoorsnede kan je in het dentine een streepvormig patroon zien.
Dit noemt men de Schreger lijnen.
Ze hebben een golvend verloop en vormen hoeken. Uit de grootte van die hoeken kunnen we afleiden of het ivoor afkomstig is van een olifant of van een (uitgestorven) mammoet. Geen enkele andere ivoorsoort heeft Schreger lijnen.

Foto 2. Doorsnede door het volle gedeelte van een slagtand van een olifant. Je ziet duidelijk de dunne cementlaag rond het centrale dentine. Tussen de compacte kern en de cementlaag bemerk je een lijnenpatroon met lijnen die hoeken vormen: de Schregerlijnen.
Enkel het ivoor van de olifant vertoont deze lijnen.
Foto 3. Nijlpaard ivoor. Het oppervlak is ruw en onregelmatig.

Nijlpaardtanden groeien in lagen, zoals de jaarringen van een boom, wat ze een gelaagd aspect geeft.
Tanden van een wrattenzwijn hebben een onregelmatig oppervlak.

Een eenvoudige test
Resine en plastics absorberen UV-licht met lange golflengte, ivoor reflecteert het. Dit geeft ons een eenvoudige test om te zien of het materiaal ivoor is of niet.
Als we met UV-licht met lange golflengte op het voorwerp schijnen zal het enkel bij ivoor helder blauw reflecteren. Bij ander materiaal blijft het donker. Foto 4.
We moeten hierbij opmerken dat een dikke laag patina de fluorescentie kan verhinderen.Deze afbeelding heeft een leeg alt-attribuut; de bestandsnaam is Afbeelding4-723x1024.jpg
Foto 4. Voorwerpen onder gewoon licht en onder UVA licht met lange golflengte (>320 nm). Er is o.a. een plastiek briefopener, een walvissentand, een leeuwentand, een draken- en een schildpadfiguur uit resine en een ivoren kam. Enkel de ivoren kam vertoont UVA fluorescentie wegens de aanwezigheid van hydroxyapatiet.

Veel verschillende patinas
Met enige overdrijving zou je kunnen stellen dat er geen twee ivoren sculpturen bestaan met exact dezelfde patina. De stukken worden immers gekleurd met verschillende pigmenten, be-offerd met allerlei producten zoals voedsel, speeksel, bloed… en behandeld met verschillende olies tot ze voldoen aan de eisen waaraan ze moeten voldoen voor ritueel gebruik. (foto 5).
Sommige worden continu gebruikt, andere slechts bij speciale gelegenheden. Stukken werden na gebruik soms weggegooid en kwamen voor een lange tijd in de grond terecht.
.

Foto 5. Een Lobi bateba beeldje volledig bedekt met een zwart verkleurde offerlaag (bloed?). Aan de arm is offermateriaal verdwenen. Het onderliggend ivoor is geel tot licht bruin verkleurd. Collectie Rutger de Kinderen.
Als die aarde dan bijvoorbeeld ijzer of mangaan bevatte verkleurde het ivoor dof-bruin. De stukken die in verzamelingen terechtkomen zijn soms nog in hun oorspronkelijke staat, maar zeer dikwijls zijn ze gepoetst of ‘opgeleukt’ voor de verkoop en is minstens een deel van de patina verdwenen. Bovendien hebben vegetale kleurstoffen de neiging om te veranderen en zelfs te verdwijnen door de inwerking van zonlicht. Het is met andere woorden dikwijls een hele opgave om nog maar te vermoeden hoe het stuk er 100 jaar geleden uit zag, en op basis van zijn huidige uitzicht te bepalen of het authentiek is of niet.

Wit, zwart, en van alles tussenin
Het is dan ook niet verwonderlijk dat we vele kleurschakeringen kunnen aantreffen bij ivoren voorwerpen, al naar gelang de behandeling die ze hebben ondergaan.
Onbehandeld ivoor krijgt met de jaren een vuil-witte of gelige kleur. Die is meestal niet egaal. Sommige plaatsen zijn wat lichter, andere wat donkerder en eerder bruin. Er komen ook fijne barsten in het ivoor. Waar insnijdingen zijn aangebracht en in de barsten hopen zich allerlei stoffen op waardoor die plaatsen donker verkleuren. (foto 6).

Foto 6. Een Pende ikhoko hanger.
De kleur is gelig- licht bruin. In de insnijdingen en barstjes zitten allerlei stoffen opgehoopt (stof, olie, zweet…)
Ivoor dat intensief gebruikt maar niet behandeld is met pigmenten heeft eerder een geel-bruine patina. Ook de manier van bewaring kan een invloed hebben. De stukken werden bewaard op verschillende manieren: in rafia of in een doek gewikkeld, op zolder, in grotten, in de grond, en blootgesteld aan vocht, rook, roet, dampen van eten. Dat zal eveneens het uitzicht van de patina beïnvloeden.

Foto 7. Een onbehandelde, oude armband van de Makonde (Museum Berlijn). De cementlaag is verdwenen. Het dentine is vuil-geel met fijne barstjes door uitdroging. De binnenzijde vertoont een meer rood-bruine patina door de wrijving bij frequent gebruik.
Vers ivoor is wit. Oud ivoor met een witte patina is meestal behandeld geweest met witte klei (kaolien). Onder zo’n laag verandert de kleur van het ivoor nauwelijks. Als je dan de kaolien verwijdert zie je een spierwitte maar dikwijls wat doffere kleur. Je denk dan ten onrechte dat het stuk van een recente datum is.

Natuurlijke kleurstoffen kunnen ook verdwijnen onder invloed van zonlicht en zo kan het dat bijvoorbeeld de ene zijde wit is en de andere gekleurd. Eind 20-ste eeuw was wit ook meer geliefd, vooral in Europa, en werd gekleurd ivoor behandeld met peroxide om de donkere kleuren te verwijderen. Ook werden ze zorgvuldig gereinigd en opgepoetst door de handelaars en verzamelaars met was, olie en silicone. Zo is het mogelijk dat je een authentiek ivoren object hebt met een recente, nieuwe patina! Foto 7 en foto 8.

Foto 8. Deze oude armband uit Kameroen (Bamileke?) werd enkel gedragen door de vrouw van de chef bij belangrijke gebeurtenissen en is bijgevolg wit gebleven. Enkel de binnenzijde toont verkleuring door herhaald contact met de huid. Het was een prestigeobject, goed onderhouden en bewaard.. Collectie Aad van den Ende.
Ivoor met rode of oranje patina is doorgaans behandeld met roodhoutpoeder of met hematiet poeder, al dan niet in een rituele context. Roodhoutpoeder (tukula, camwood) is afkomstig van tropisch sandelhout (Bafia nitra) of van Afrikaans padoek (Pterocarpus soyauxi). Hierdoor kleurt het oppervlak koraalrood tot oranjeachtig rood en na verloop van tijd van (licht) roodbruin tot zwart. Foto 9.

Foto 9. Een koffer uit sandelhout, 50 jaar oud. De kleur is bruin-rood. De rugkant die tegen de muur staat is donkerder dan de voorzijde. Dit is één van de houtsoorten die gebruikt werden voor het maken van tukula.
Foto 10. Kaolien en tukula. Kaolien is een zeer zuivere witte klei die het mineraal kaoliniet bevat, een aluminiumverbinding.
Het werd vroeger ook wel phemba genoemd en stond symbool voor vruchtbaarheid. Tukula of roodhoutpoeder wordt uit verschillende houtsoorten gemaakt. Het wordt met de jaren diep rood-bruin, maar is onderhevig aan licht.
Door toevoeging van water en/of olie verkreeg men min of meer harde klompjes die beter konden bewaard worden.
Hematiet is een mineraal dat ijzeroxide bevat en roodachtig verkleurt. Ook het langdurig en regelmatig inwrijven met palmolie geeft op termijn een glanzende, roodachtige patina. Foto 10 en foto 11.

Foto 11. Ivoren knoop van een riem ‘omakipa’ van de Ambo uit Angola. We zien de typische oranje-bruine, glanzende honingpatina die ontstaat door langdurig inwrijven met olie. Ook hier weer fijne barstjes door de ouderdom.

Foto 12. Lega figuur 18,5. Zwart pigment.
Op enkele plaatsen komt een rode patina er doorheen. Lega beeldje met zwart patina
Ivoor met een zwarte patina is eerder zeldzaam. De kleur ontstaat door behandeling met houtskool van de parasolboom of met het sap van wijnstokken en wijnranken, en varieert tussen gitzwart en donker paars. In sommige publicaties worden de stukken met een zwarte patina als de oudste beschouwd. De juistheid van deze bewering is twijfelachtig.
Foto 12. Foto 13 & foto 14.

Foto 13. Deze ivoren hoorn uit Congo werd bij het bespelen vastgehouden aan beide uiteinden.
Deze zijn dan ook donkerder gepatineerd en dan het middenstuk. Museum Berlijn.
Foto 14. Ivoren hoorn uit Kameroen, bewerkt met pigmenten die een diepe zwarte kleur geven aan de volledige hoorn.
Museum Berlijn.

Het oppervlak van het stuk
Ook het oppervlak van de stukken kan behoorlijk verschillen.

Foto 15. Ivoren implement ‘muroha’ van de olifantenjager bij de Shi uit Congo, 24 cm. Dit prestige- en beschermingsobject is glad en glanzend gepolijst zodat je zelfs de vele fijne barstjes niet voelt. Het brede uiteinde is uitgehold en voorzien van een lading krachtstoffen die bevestigd is met hars. De kleur onderaan is donkerder bruin tot zwart. Wellicht is er dierenbloed op geofferd?
Een stuk dat dagelijks werd ingewreven met olie zal een egaal glanzend oppervlak hebben, terwijl ivoor dat bedekt was met klei er eerder mat uitziet. Soms werd het stuk ook gepolijst zodat het steeds mooier werd, afhankelijk van de rituele vereisten.
Ook offermateriaal kan invloed hebben op de kleurvorming, die dan donkerder en/of meer geelbruin of oranje wordt. Foto 15 en foto 16.

Foto 16. Zijaanzicht van Foto 15.

Bij sommige volkeren werd gebruik gemaakt van pyro-technieken. De tekening werd dan in het oppervlak van het ivoor ingebrand. Dat maakt het natuurlijk allemaal niet eenvoudiger!
Veel sculpturen hadden een functie in genezingsrituelen. Bij sommige is het oppervlak onregelmatig, hobbelig en met inkervingen. De rituele genezers haalden dikwijls kleine stukjes of schraapsel van het beeld om dat onder poedervorm toe te dienen aan de zieke. Foto 21.
Ook de leeftijd van het ivoor laat zijn sporen na. Ivoor versteent langzaam in de loop van de jaren (eeuwen). Het oppervlak vertoont dan fijne barstjes en krijgt een fijn lijnenpatroon. Van versteende delen kunnen stukken afbreken.

Foto 21. Lega hoofd in ivoor, 11 cm. Yale University Art Gallery. Je merkt de aanwezigheid van donker pigment. Er zijn ook krassporen door het afschrapen van ivoor voor het maken van geneeskrachtig materiaal.
Echt of vals?
Of de productie van ivoren stukken voor ritueel gebruik bestemd was of voor de verkoop is dikwijls niet zeer duidelijk. Veel snijders maakten stukken voor beide doeleinden. Sommigen onder hen hadden een zekere bekendheid en sneden in opdracht van westerlingen, naast hun productie voor de cultus. Ook missionarissen waren gretige afnemers en financierden met de verkoop een deel van de onkosten van hun missieposten. Na de onafhankelijkheid van vele landen bleven ze dikwijls met een grote stock zitten. Er zijn gevallen bekend van paters die hun onverkochte stukken lieten hersnijden in een meer traditionele, verkoopbare stijl. Het wordt zelfs aangenomen dat er valse stukken hun weg hebben gevonden naar allerlei musea.

Een moeilijke opgave
Het steeds wisselend uitzicht van ivoor maakt het zeer moeilijk om een gefundeerd oordeel te vormen over leeftijd en authenticiteit van de stukken. Bovendien zijn ze dikwijls duur en een miskoop is dan dubbel zo pijnlijk. Sinds er een Cites attest vereist is om ivoor te verhandelen is de prijs gelukkig gedaald, al is zelfs zo’n attest geen garantie dat het om een authentiek, gebruikt stuk gaat. Voor het Cites attest moet je bewijzen dat het bewerkte ivoor dateert van voor 1947. Je hebt hiervoor een verslag van een erkend expert nodig, evenals een aankoopfactuur, wat voor stukken die je al lang in je verzameling hebt niet evident is. De enige raad die we de lezer kunnen geven is: probeer de herkomst te traceren, vergelijk met veel andere stukken en laat uw stuk aan meerdere kenners zien. Als het om dure stukken gaat kan ook een ouderdomsbepaling nuttig zijn. Die geldt dan tevens als expertise-verslag. Die gebeurt met de C-14 methode. Hierbij wordt de ouderdom van het ivoor bepaald door de meting van de hoeveelheid radioactief koolstof (C-14) die aanwezig is in het materiaal. Vanaf het afsterven van een organisme stopt namelijk de opname van dat C-14 en begint die geleidelijk te dalen. Door dan de resthoeveelheid te meten kan de ouderdom van het ivoor worden berekend. Het is echter een dure techniek. Eén test bij het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium in Brussel kost 838,5 euro. Ook een chemische analyse van de patina kan nuttig zijn. Het spreekt voor zich dat de waarde van het stuk groot genoeg moet zijn om een ouderdomsbepaling te overwegen.